arrow_rightarrow_righticon_excelicon_pficon_ppticon_wordmagnifier

programma

De 38e V&VN Oncologiedagen vinden plaats in de ReeHorst te Ede op (15) 16 & 17 november 2021. Het streven is om in november fysiek samen te komen in de ReeHorst te Ede. Mocht dit niet mogelijk zijn, gezien geldende voorschriften vanuit het RIVM, zal het gehele congres virtueel plaatsvinden.

 

maandag 15 nov

Avondsymposium I || De patiënt centraal: focus op GE oncologie

Tijdens dit symposium ligt de focus op 2 indicaties binnen de GE oncologie: gemetastaseerd pancreascarcinoom en gemetastaseerd colorectaal carcinoom. Voor beiden wordt de laatste stand van wetenschap gepresenteerd aan de hand van de richtlijn. Ook wordt ingegaan op de samenwerkingen die er zijn om onderzoek te versnellen en de patiëntenzorg verder te verbeteren, zoals het deltaplan Alvleesklierkanker. Uiteindelijk moet deze wetenschappelijke kennis toegepast worden in de praktijk, waarin geen patiënt hetzelfde is. Het inzetten van een keuzehulp helpt behandelaars en patiënten om individuele wensen en behandeling zo goed mogelijk bij elkaar aan te laten sluiten. De keuzehulp mCRC krijgt een update en de keuzehulp mPC is in ontwikkeling. Ook wordt de P. Bokaal 2021 uitgereikt. Vakjury en publiek bepalen samen welk patiëntgericht project wat in de praktijk is geïmplementeerd dit jaar wint.

Dit avondsymposium wordt vormgegeven en mede mogelijk gemaakt door Servier Nederland Farma B.V. Deelname is inclusief buffet.

18:30

Ontvangst en registratie deelnemers

Inclusief diner buffet

Avondsymposium I || De patiënt centraal: focus op GE oncologie

19:00

Update gemetastaseerd pancreascarcinoom

Richtlijn mPC
Samenwerking binnen het deltaplan Alvleesklierkanker
Ontwikkeling van een keuzehulp mPC

20:15

Pauze

20:30

Uitreiking P-bokaal

Voor het beste patiëntgerichte project wat dit jaar is aangemeld

20:45

Update gemetastaseerd colorectaal carcinoom

Nieuwe richtlijn mCRC 2021
Ervaringen met en update van de keuzehulp mCRC

21:45

Afsluitende borrel

dinsdag 16 nov

V&VN Oncologiedagen || dag 1

07:30 Ontvangst en registratie deelnemers ontbijtmeetings

Inclusief ontbijtbuffet

Onbijtmeeting I: Botgezondheid bij prostaatcarcinoom in de praktijk!

Voorzitter: Erik van Muilekom, Verpleegkundig specialist, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

08:00

Opening ontbijtmeeting

Erik van Muilekom, Verpleegkundig specialist, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

De verpleegkundig specialist neemt steeds vaker een regierol in supportive care zoals botgezondheid bij de behandeling van gevorderd prostaatcarcinoom. Middels deze informele ontbijtsessie bent u in korte tijd op de hoogte van de laatste ontwikkelingen rondom botgezondheid inclusief de vertaling naar de praktijk van verpleegkundig specialisten.

Tijdens deze sessie bespreken we in een interactieve uiteenzetting het belang van èn de laatste (wetenschappelijke) ontwikkelingen op het gebied van botgezondheid. Ook zullen we ingaan op het belang van borging van botgezondheid in het zorgpad voor gevorderd prostaatcarcinoom. Als laatste sluiten we af met de vertaling naar de dagelijkse praktijk. Graag zien we u aan de ontbijttafel!

Deze ontbijtmeeting wordt vormgegeven Themagroep Skeletal Academy en mede mogelijk gemaakt door  Amgen B.V. Deelname is inclusief ontbijt.

08:05

Wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van botgezondheid

Jean-Paul van Basten, uroloog, Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen Prosper samenwerkende prostaatkankerklinieken

Foto Jean Paul van Basten

Jean-Paul van Basten, uroloog

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis

08:35

Het zorgpad in de praktijk

Joost de Baaij, verpleegkundig specialist (MANP) urologie, Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen & Erik van Muilekom, verpleegkundig specialist (MANP) urologie, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Joost de Baaij

Joost de Baaij, verpleegkundig specialist (MANP) urologie

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis

Erik van Muilekom

Erik van Muilekom, verpleegkundig specialist (MANP) urologie

Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

09:15

Vragen en discussie

09:25

Afsluiting door de voorzitter

Onbijtmeeting II: Workshop: Samen beslissen met de dikkedarmkanker keuzehulp!

Voorzitter: Jan Ouwerkerk, Research Coördinator Oncologie, LUMC, Leiden

08:00

Opening ontbijtmeeting

Voorzitter: Jan Ouwerkerk, Research Coördinator Oncologie, LUMC, Leiden

Er zijn steeds meer behandelopties voor patiënten met uitgezaaide dikkedarmkanker beschikbaar. Door kennis over tumoreigenschappen kunnen we bovendien steeds vaker een behandeling op maat aanbieden. De lastige afweging tussen kwaliteit van leven en lengte van leven maakt de behandelkeuze voor deze patiëntengroep extra complex. De behoefte van patiënten om samen met hun zorgverleners te beslissen is groot.

De dikkedarmkanker keuzehulp is ontwikkeld in 2015 en wordt op dit moment uitgebreid met onder andere nieuwe behandelopties. Tijdens deze ochtendworkshop beginnen we met een korte introductie over de keuzehulp, zal er een demo plaatsvinden met een patiënt, en gaan jullie vervolgens zelf aan de slag door te oefenen met de keuzehulp zoals passend in de dagelijkse praktijk. Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen en zien jullie graag aan het ontbijt op 16 november!

Deze ontbijtmeeting wordt vormgegeven i.s.m. ZorgKeuzeLab en mede mogelijk gemaakt door Merck B.V. Deelname is inclusief ontbijt.

08:05

De dikkedarmkanker keuzehulp

Drs. Sietske van Nassau, arts onderzoeker, medische oncologie, UMC Utrecht & Annette van den Berg-Verweij, coördinator bij ZorgKeuzeLab, Delft

Sietske Nassau

Drs. Sietske van Nassau, arts onderzoeker, medische oncologie

UMC Utrecht

08:25

De dikkedarmkanker keuzehulp in de praktijk

Alle deelnemers interactief

09:15

Terugkoppeling, vragen en discussie

09:25

Afsluiting door de voorzitter

Voorzitter: Jan Ouwerkerk, Research Coördinator Oncologie, LUMC, Leiden

09:00

Ontvangst en registratie deelnemers + opening Beursvloer

10:00

Welkom door bestuur V&VN Oncologie

Plenair || De impact van COVID-19 op de kankerzorg

10:15

COVID en Kanker: de ervaringen van patienten en zorgverleners met zorg op afstand

Irene Dingemans, belangenbehartiger kwaliteit van zorg, NFK

In het najaar van 2020 heeft NFK samen met de V&VN oncologie en SONCOS een uitvraag gedaan onder mensen met kanker, oncologieverpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en medisch specialisten. We hebben gevraagd naar hoe men de zorg op afstand ervaart. Met een blik op de toekomst hebben we uitgevraagd welke nieuwe vormen van zorg, zoals videobellen, we zouden voor de oncologie juist wel of niet moeten behouden. En wat hierbij aandachtspunten zijn.

11:00

Pauze

Plenaire programma || Wat heeft COVID-19 ons gebracht?

11:30

Digitale zorg thuis met de De Onco Monitor

Amanda Pladdet, oncologieverpleegkundige, OLVG, of Anneke van de Goorbergh, oncologieverpleegkundige, OLVG

11:50

Live videoconsult via HIX

Tessa van Ginhoven, oncologisch chirurg, Erasmus MC Kanker Instituut

12:15

Uitreiking Oevre Award Oncology Nursing

12:30 Lunchpauze

12:45

Lunchmeeting I: What’ s hot in uro-oncologie: Stand van zaken, toekomstperspectief nier- en prostaatkanker en management van bijwerkingen

Voorzitter: Erik van Muilekom, verpleegkundig specialist MANP, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Tijdens deze lunchmeeting zullen experts op het gebied van nier en prostaatkanker per tumortype de verschillende behandel therapieën bespreken ( TKI’s, immunotherapie etc. )
Ook komen de behandel algoritmen ( Gemetastaseerd RCC, neo- en adjuvante setting) voorbij.
Verder zullen zij bijwerkingen management bespreken a.d.h.v. casuïstiek van heftige bijwerkingen en andere klachten.

Deze meeting is inclusief lunch

Poster Pitch sessie I

Tijdens de lunchpauze vinden op de beursvloer de onderstaande poster pitches plaats

13:00

PP01 Nazorg op maat: een praktijkgericht onderzoek naar de best passende interventie(s) om nazorg op maat aan te bieden aan patiënten met een hormoongevoelig mammacarcinoom

Suzanne Graat, verpleegkundig specialist oncologie, St. Antonius ziekenhuis

Achtergrond
Hormoongevoelige borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. Nagenoeg alle vrouwen die met deze ziekte geconfronteerd worden ervaren blijvende gevolgen op fysiek, psychosociaal en/of maatschappelijk gebied. Aanleiding voor dit praktijkgericht onderzoek is het vermoeden dat de nazorg voor deze vrouwen ontoereikend is. Zowel patiënten als zorgverleners van het St Antonius ziekenhuis (SAZ) misten tijdens de nazorg aandacht voor passende informatie en ondersteuning bij de gevolgen van borstkanker(behandelingen), behoud van gezondheid en bevordering van zelfmanagement.

Doel
Het doel van het praktijkgericht onderzoek is inzichtelijk maken welke interventie(s) het best passend is/zijn om nazorg op maat aan te kunnen bieden aan patiënten met hormoongevoelige borstkanker in het St Antonius ziekenhuis.

Methode
Een systematisch literatuuronderzoek naar interventies voor nazorg op maat is uitgevoerd en semigestructureerde interviews met verpleegkundig specialisten (VS’en) werkzaam in Santeon ziekenhuizen (n=5) en met patiënten van het SAZ (n=11) zijn afgenomen, getranscribeerd en nadien inductief gecodeerd en geanalyseerd. Nadien zijn de resultaten in een focusgroep-interview onder zorgverleners en stakeholders uit het SAZ besproken (n=10).

Resultaten
Uit literatuuronderzoek en interviews met VS’en blijkt dat een individueel nazorgplan een leidraad is tijdens de nazorg die onzekerheid over gevolgen van borstkanker(behandelingen), het nazorgtraject, aanspreekpunt en ondersteunings-mogelijkheden kan wegnemen. Verder blijkt uit de literatuurstudie en interviews met VS’en dat het gebruik van een screeningsinstrument resulteert in vroegtijdige signalering van gevolgen van borstkanker(behandelingen). Dit kan bijdragen aan tijdig inzetten van optimale ondersteuning. Groepsnazorg zou volgens de literatuur bevorderend zijn voor ondersteuning bij herstel na kanker en zelfmanagement, al wordt dit niet onderschreven door geïnterviewde patiënten, VS’en en de focusgroep. Volgens de literatuur, interviews met patiënten en VS’en zou de VS als vast aanspreekpunt kunnen bijdragen aan continuïteit van gesprekken en bevorderen van zelfmanagement.

Conclusie
Op basis van geraadpleegde bronnen blijkt dat voor optimale ondersteuning van de patiënt na borstkanker(behandeling) het van groot belang is dat de herstelfase gemarkeerd wordt met een individueel nazorgplan. Dit plan dient a) de patiënt te informeren over coördinatie van nazorg en gevolgen van borstkanker(behandelingen) en b) ruimte te bieden voor vroegtijdige signalering en monitoring van deze gevolgen middels een screeningsinstrument. Door de kwaliteit van leven van de patiënt tijdens de nazorg centraal te zetten, kan het behandelteam aansluiten bij haar persoonlijke behoeften en kan er gericht gewerkt worden aan herstel na borstkanker en behoud van gezondheid.

Literatuur
Hill, e.a. 2019; Kapoor, e.a. 2017; Luctkar-Flude e.a., 2015; Brennan e.a., 2011; Haq e.a., 2013; Pedersen e.a., 2014; Rosenberg e.a., 2015; Snyder e.a., 2010; Sprangue e.a., 2013; Thompson e.a., 2014 & Trotter e.a.,, 2011

13:05

PP02 Voedingsadviezen en training als voorbereiding op een operatie voor patiënten met slokdarmkanker

Elja Reijneveld, Fysiotherapeut/promovendus, Hogeschool Utrecht

1. Introductie/achtergrond:
De curatieve behandeling voor patiënten met slokdarmkanker, bestaande uit achtereenvolgens chemoradiatie en een operatie, heeft een grote impact op de fysieke conditie. Een preoperatieve interventie, bestaande uit voedingsadviezen en fysieke training, helpt de patiënt om goed te herstellen na de chemoradiatie en bevordert de kansen op een goed postoperatief herstel.

2. Onderzoeksdoel:
Onderzoeken wat de fysieke conditie is drie maanden na een slokdarmoperatie bij patiënten die een preoperatief voedings- en trainingsprogramma hebben gevolgd.

3. Methode:
De preoperatieve interventie werd in vijf ziekenhuizen in Nederland geïmplementeerd als nieuwe standaardzorg voor patiënten met slokdarmkanker in het curatieve traject. Patiënten ontvingen gedurende het gehele traject voedingsadviezen van een diëtist in het ziekenhuis. Het trainingsprogramma werd uitgevoerd in de 6 tot 8 weken tussen chemoradiatie en de operatie onder begeleiding van een eerstelijns fysiotherapeut. Het lichaamsgewicht en de fysieke conditie werden gemeten in termen van handknijpkracht, inspanningscapaciteit (geschatte VO2max, Steep Ramp Test), vermoeidheid (Verkorte Vermoeidheidsvragenlijst, schaal 4-28) en zelf-gerapporteerd fysiek functioneren (Fysiek Functioneren schaal van de RAND-36, schaal 0-100). De metingen vonden plaats voor chemoradiatie (T0), na afloop van de chemoradiatie (T1), na de preoperatieve training (T2) en drie maanden postoperatief (T3).

4. Resultaten:
243 patiënten werden geïncludeerd (gemiddelde leeftijd 66.1 (9.2), 77% man). De fysieke conditie daalde significant tijdens chemoradiatie op alle parameters (p<.05) en verbeterde weer naar baseline waarden gedurende de voedings- en trainingsinterventie (p<.01). Drie maanden na de operatie daalde de fysieke conditie significant op alle parameters naar waarden onder baselineniveau (p≤.001). Lichaamsgewicht veranderde van 81.9 kg (T0) naar 80.9 kg (T1), 82.5 kg (T2) en 77.4 kg (T3). Handknijpkracht ging van 39.6 kg (T0), naar 38.4 kg (T1), 39.9 kg (T2) en 36.5 kg (T3). Inspanningscapaciteit was 23.7 ml/kg/min (T0), 22.2 ml/kg/min (T1), 24.3 ml/kg/min (T2) en 22.6 ml/kg/min (T3). Zelf-gerapporteerd fysiek functioneren veranderde van 85.3% (T0) naar 74.0% (T1), 86.6% (T2) en 77.2% (T3), waarbij een hogere score duidt op een beter fysiek functioneren. Vermoeidheid ging van 10.6 (T0) naar 15.8 (T1), 8.7 (T2) en 13.5 (T3), waarbij een hogere score duidt op meer vermoeidheid.

5. Conclusies:
De fysieke conditie van patiënten met slokdarmkanker gaat fors achteruit gedurende chemoradiatie, maar herstelt weer tijdens een gecombineerde preoperatieve voedings- en trainingsinterventie. Drie maanden postoperatief daalt de fysieke conditie tot onder baselineniveau.

6. Literatuur:
Guinan E.M. et al. The physiotherapist and the esophageal cancer patient: from prehabilitation to rehabilitation. Diseases of the Esophagus (2016).
Doganay E. et al. Prehabilitation for esophagectomy. Journal of Thoracic Disease (2019)

7. Aanbevelingen/klinische relevantie:
Een achteruitgang van de fysieke conditie tijdens chemoradiatie herstelt weer tijdens een gecombineerde voedings- en trainingsinterventie. Ondanks een goede preoperatieve conditie is de conditie drie maanden na de operatie nog fors verminderd. Mogelijk is er ook in de postoperatieve fase behoefte aan begeleiding bij het optimaliseren van de fysieke conditie.

13:10

PP03 Aanspreekpunt urologische oncologie

Anne Marie Pierik-van Roest, VIOS, UMC Utrecht

Achtergrond: Dit ontwerpgericht onderzoek is het vervolg op mijn praktijkgericht onderzoek naar de behoeften van patiënten met blaaskanker en betrokken zorgprofessionals ten aanzien van continuïteit in de zorgketen oncologische urologie. Hieruit bleek dat deze patiënten behoefte hebben aan relationele en informationele continuïteit.

Onderzoeksdoel: Het doel van dit onderzoek is inzicht krijgen in interventies die informationele en relationele continuïteit in de zorgketen optimaliseren en het ontwerpen van een interventie passend bij de zorgketen oncologische urologie in het UMC Utrecht. Dit inzicht dient als basis van het herstructureren van de zorgketen oncologische urologie zodat de relationele en informationele continuïteit daadwerkelijk geoptimaliseerd kan worden.

Methode: Systematisch literatuuronderzoek werd gedaan in PubMed en Cochrane naar interventies die relationele en informationele continuïteit in de oncologische zorgketen optimaliseren. Daarnaast werd kwalitatief onderzoek gedaan door middel van interviews met interne en externe zorgprofessionals. Vervolgens werd een focusgroepinterview gehouden met stakeholders om gevonden informatie te bespreken welke aspecten relevant en toepasbaar zijn voor de zorgketen oncologische urologie in het UMC Utrecht.

Resultaten: De resultaten zijn gebaseerd op literatuuronderzoek (n=13), interviews met zorgprofessionals (n=6) en een focusgroepinterview met stakeholders (n=4). Uit literatuuronderzoek kwamen vier interventies namelijk patient navigation, continuïteit assessment, patiënteninformatiemap en casemanagement. Alleen de laatste interventie omvat alle aspecten van continuïteit van zorg. Interventies vanuit de interviews waren multidisciplinaire samenwerking, vaste contactpersoon of casemanagement en digitale middelen zoals het elektronisch patiëntendossier of digitaal zorgpad. In het focusinterview kwam naar voren dat de interventie die het meest passend is voor de zorgketen oncologie een vaste contactpersoon in de hele zorgketen. Alle zorgprofessionals hadden de voorkeur voor een Verpleegkundig specialist (VS) als vaste contactpersoon.

Conclusie: Van de gevonden interventies uit literatuur en interviews lijkt het voor de zorgketen oncologische urologie in het UMC Utrecht het meest passend om de rol van de VS uit te breiden ter optimalisatie van de informationele en relationele continuïteit. De uitbreiding van de rol is de rol van vaste contactpersoon en medebehandelaar in de hele zorgketen. Hierbij kunnen aspecten van de gevonden interventies ingezet worden zoals digitale middelen en continuïteitsassessment om daarmee patiëntgerichte en passende zorg te kunnen leveren.

Aanbevelingen: De interventie zal uitgeprobeerd worden in een pilot en na een half jaar geëvalueerd worden. Vervolgonderzoek is nodig naar het effect van de interventie op de beleving van patiënten en zorgprofessionals ten aanzien van continuïteit.

13:15

PP04 “Mission possible” escaperoom veilig werken met cytostatica

Angelique Zandstra, Verpleegkundig Consulent Oncologie, CWZ

1. Introductie/achtergrond.
(Oncologie) verpleegkundigen die cytostatica toedienen bij en daarbij zorg verlenen aan deze patiëntengroep dienen op de hoogte te zijn van maatregelen en werkwijzen omtrent veilig werken met deze stoffen en excreta. Om deze weinig veranderende materie op een aantrekkelijke wijze weer bij collega’s onder de aandacht te brengen is een escaperoom ingericht.

2. Wat is het doel van het project/onderzoek?
Bewustwording, actualiseren en borgen van kennis en vaardigheden over veilig werken met cytostatica van (zittende) oncologie verpleegkundigen, zodat deze kennis altijd up to date is.

3. Methode
In 30 minuten worden d.m.v. vijf uitdagende opdrachten, variërend van woordpuzzel tot het oplossen van een rebus, gebaseerd op diverse veilige werk situaties uit de praktijk en d.m.v. onderling samenwerken, een viercijferige code opgelost. Zodra het slot van de kist geopend is, wordt in de kist een beloning en een vervolgopdracht gevonden. In alle rust wordt dan nog een calamiteit opgeruimd, volgens veilig werken principes.
De vijf opdrachten zijn gebaseerd op:
-waarom veilig werken?
-procedures en afspraken rondom veilig werken
-interpreteren van de crashkaart
-extravasatie
-werkafspraken

4. Resultaten
n.v.t.

5. Conclusies
Oncologie verpleegkundigen geven aan dat d.m.v. uitdagende opdrachten van deze escaperoom gericht op veilig werken situaties, de weinig veranderende materie op een leuke, inspirerende manier worden opgefrist, bewustwording bewerkstelligt en kennis geborgen wordt.

6. Literatuur
Arbokennisdossier Cytostatica: Dit kennisdossier is onderdeel van het Arbokennisnet.
Kwaliteitshandboek Cytostatica NKI-AVL: Bron voor praktische informatie gebaseerd op de wetgeving.
Arboportaal: De website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over arbeidsomstandigheden. Hier is algemene informatie opgenomen over arbeidsomstandigheden. Ook staat hier specifieke informatie over het veilig werken met cytostatica.
Arbocatalogus UMC: De Arbocatalogus van de UMC’s is opgesteld door de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). Alle informatie is verzameld op de website http://www.dokterhoe.nl/
met actuele informatie over het veilig werken met cytostatica. Op de website zijn ook informatieve filmpjes te vinden. Daarnaast bestaat er ook een app van ‘dokterhoe’ voor de smartphone. De werkbladen in deze handreiking zijn conform de afspraken die zijn vastgelegd in de Arbocatalogus UMC.
WIP-Richtlijnen:
De werkbladen in deze handreiking zijn conform de WIP-richtlijnen gemaakt. De WIP staat voor Werkgroep Infectiepreventie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) gebruikt de WIP-richtlijnen als uitgangspunt om toezicht te houden op de kwaliteit van de zorg. De activiteiten van de WIP zijn begin 2017 gestaakt. De WIP gebruikt nog steeds de RIVM-website om gepubliceerde WIP-richtlijnen te raadplegen.
Interne CWZ-protocol

7. Aanbevelingen/klinische relevantie
Welke aanbevelingen kun je op basis van dit onderzoek geven voor de dagelijkse klinische praktijk?
Op een inspirerende manier de collega’s up to date houden in de huidige tijd. Deze eigen ontworpen escaperoom willen wij graag delen met de collega’s van andere ziekenhuizen.

Parallel ronde 1

Van 13:30 uur tot 14:30 uur vindt parallel ronde 1 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

1.1 De patiënt en zijn naasten

13:30

1.1.1 Als moeder of vader kanker heeft, wat betekent dat voor het gezin?

dr. Marthe Egberts, orthopedagoog en postdoctoraal onderzoeker, Ingeborg Douwes Centrum en Universiteit Utrecht

14:00

1.1.2 Kwetsbare ouderen in de palliatieve fase

Rozemarijn van Bruchem-Visser, internist ouderengeneeskunde, Erasmus MC

1.2 Het casemanagers debat

13:30

Het casemanagers debat

Marisa Geukes, Verpleegkundig Specialist, JBZ, Tineke Lammers, Verpleegkundig Specialist Longoncologie, OLVG Lisette Bruijnis, Oncologie/hematologie verpleegkundige, OLVG

Tijdens deze sessie wordt door middel van een discussie een kritische blik geworpen op het item casemanager/ aanspreekpunt. Hierbij wordt gekeken naar de lessen van het verleden, stilgestaan bij het heden, maar vooral vooruit gekeken naar de toekomst en hoe op de toekomstige zorgvrager geanticipeerd kan worden.

1.3 Leefstijl 'bespreekbaar'

13:30

Leefstijl 'bespreekbaar'

Wemke Tuinier, Verpleegkundig specialist oncologie / hematologie, Martini Ziekenhuis, Groningen

Tijdens deze sessie wordt geoefend hoe je de leefstijl van de patiënt bespreekbaar kunt maken. We praten over belemmeringen daarin en deze gaan we daarna overwinnen door met elkaar te oefenen. We sluiten af met een conclusie die we gezamenlijke stellen.

1.4 Help ... de patiënt doet niet wat ik wil! Interactieve sessie met max. aantal deelnemers

13:30

1.4.1 N.t.b.

Ankana Spekkink, ethicus, docent, junior-onderzoeker, HAN

1.5 Open abstracts

13:30

1.5.1 Ondersteunen van patiënten met ongeneeslijke kanker in hun behandelkeuze: de ontwikkeling en evaluatie van een blended learning over ‘samen beslissen’ voor verpleegkundigen

Danique Bos, promovendus, Amsterdam UMC

In de palliatieve oncologische zorg wordt samen beslissen over mogelijke behandelingen nog niet optimaal toegepast. Zo worden de verschillende opties niet altijd (gelijkwaardig) gepresenteerd en de waarden en voorkeuren van patiënten niet altijd besproken. Dit kan mogelijk verbeterd worden door verpleegkundigen bij het proces van samen beslissen te betrekken; zij hebben immers een andere relatie met patiënten dan de behandelend arts en unieke expertise.

Doel van het onderzoek is om een effectieve blended learning te ontwikkelen voor verpleegkundigen die hen helpt patiënten in de palliatieve oncologische zorg te ondersteunen bij het samen beslissen zodat deze patiënten een bewuste, geïnformeerde en passende behandeling krijgen. De blended learning besteedt aandacht aan opvattingen, kennis en vaardigheden.
Allereerst hebben we, op basis van de theorie over ‘decision coaching’ en een interview studie onder verpleegkundigen over hun rol in besluitvorming, drie strategieën geïdentificeerd die het samen beslissen in de palliatieve oncologische zorg ondersteunen. Die strategieën zijn 1) signaleren van de kwaliteit van het besluitvormingsproces (bijvoorbeeld uitvragen welke informatie de patiënt heeft over de behandelmogelijkheden), 2) aanvullen van samen beslissen (bijvoorbeeld keuzebewustzijn creëren) en 3) faciliteren van samen beslissen (bijvoorbeeld terugverwijzen naar de behandelend arts).

Vervolgens zijn twee e-learning modules ontwikkeld in samenwerking met NFK: ‘ondersteunen van samen beslissen’ en ‘samen beslissen in de palliatieve zorg’. In de e-learning modules (samen circa 2 uur) komt vooral theorie over deze onderwerpen aan bod. Daarnaast is een training (3,5 uur) ontwikkeld, waarin die theorie wordt toegepast in oefengesprekken met een acteur die een patiënt speelt.
De effectiviteit van deze blended learning hebben we geëvalueerd in een pre-post test design. Verpleegkundigen (n=16) uit 4 ziekenhuizen voerden voor en na de blended learning een gesimuleerd online consult met een acteur, die een patiënt speelde met uitgezaaide kanker. Deze consulten werden opgenomen op video. Ook vulden verpleegkundigen drie vragenlijsten in, namelijk voorafgaand aan de blended learning, tussen de e-learning en de trainingsbijeenkomst, en na afloop.

Primaire uitkomst is de mate waarin de drie strategieën voor het ondersteunen van samen beslissen wordt toegepast. Secundaire uitkomsten zijn opvattingen over het ondersteunen van samen beslissen, kennis over samen beslissen en tevredenheid met de blended learning. De dataverzameling is afgerond en momenteel worden de opgenomen gesimuleerde consulten gecodeerd. Dat gebeurt door twee geblindeerde codeurs met de DSAT-10 en een zelfontwikkeld instrument om de toepassing van de drie strategieën te meten.
Tijdens het congres kunnen we resultaten van onze effectstudie presenteren. Doel is een effectieve training op te leveren waardoor verpleegkundigen zich bewust worden van hun rol en een sterkere positie krijgen in het proces van samen beslissen bij ongeneeslijke kankerpatiënten, zodat patiënten die zorg krijgen die het best bij hen past.

13:45

1.5.2 Behandeling van een aanpassingsstoornis bij mensen die kanker hebben gehad

Chantal Lammens, senior adviseur oncologische zorg, IKNL

Introductie
De vergoeding voor de behandeling van een aanpassingsstoornis is in 2012 uit het basispakket gehaald. Dat heeft gevolgen voor veel (ex-)kankerpatiënten met psychische klachten: zij krijgen niet de zorg waar zij behoefte aan hebben, vergoed. In 2016 is de richtlijn Aanpassingsstoornis bij patiënten met kanker opgesteld. Daarmee is het nu mogelijk om de psychosociale zorg duurzaam in te richten. Middels een grootschalige praktijkstudie worden resultaten van deze behandeling verzameld.

Onderzoeksdoel
Het vaststellen van de werkzaamheid van de behandeling voor een aanpassingsstoornis bij mensen die kanker hebben gehad.

Methode
Gedurende een periode van circa 3 jaar hebben mensen die kanker hebben gehad, aanpassingsproblemen ervaarden en behoefte hadden aan psychologische hulp, zonder eigen bijdrage of eigen risico de behandeling kunnen volgen. De behandeling, zoals beschreven in de richtlijn Aanpassingsstoornis bij patienten met kanker, bestaat uit individuele en groepssessies met een gespecialiseerde psycholoog, psychotherapeut of psychiater. De deelnemers vulden voorafgaand aan de behandeling en direct na afloop een vragenlijst in. Deze vragenlijst bestond onder andere uit de EORTC-QLQ-C30, de lastmeter en de Hospital Anxiety and Depression Scale.
Resultaten
Meer dan 300 deelnemers hebben de behandeling afgerond. Alle deelnemers hebben individuele sessies gehad en 45% heeft daarnaast ook één of meerdere groepssessies bijgewoond. Gemiddeld werden er 9 individuele en/of groepssessies bijgewoond. Het verschil tussen de gemiddelde baseline en post-behandeling scores op alle vijf de kwaliteit van leven schalen is statistisch significant. Deelnemers ervaren een betere fysieke en emotionele gezondheid en hebben minder belemmeringen in het dagelijks leven en in het sociale leven en hebben minder last van cognitieve problemen. Er is ook een statistisch significante vermindering van de ‘ervaren last’ en van het niveau van algehele distress.

Conclusies
Concluderend, laten de resultaten zien dat het volgen van de behandelingen voor een aanpassingsstoornis, zoals aangeboden in deze praktijkstudie, leiden tot verminderde klachten en een verbeterde kwaliteit van leven.
Aanbevelingen
Behandeling voor een aanpassingsstoornis bij mensen die leven met de gevolgen van kanker dient weer opgenomen te worden in het basispakket.

Literatuur
Richtlijn Aanpassingsstoornis bij patiënten met kanker (2016). Trimbos.

14:00

1.5.3 Zorg in de laatste levensjaren: het belang van vroegtijdig gestructureerd vastleggen van proactieve zorg in de oncologie

Carolien Burghout, verpleegkundig specialist, JBZ

Achtergrond
Verschillende studies suggereren dat proactieve zorg bijdraagt aan kwaliteit van leven en verminderd zorgverbruik. Het is onduidelijk of schriftelijk vastleggen van behoeften en voorkeuren in het patiëntdossier door een gestructureerd proactief zorgplan (PZP) bijdraagt aan juiste zorg op de juiste plek in de laatste levensmaanden.

Doel
Het beschrijven van het verschil onder oncologische patiënten ≥80 jaar met of zonder PZP op 1) zorgverbruik 3 en 1 maand(en) vóór overlijden, en 2) daadwerkelijk overlijden op de door hun gewenste locatie.

Methoden
Het betrof retrospectief dossieronderzoek in de periode 1-1-2019 t/m 1-6-2020 onder overleden oncologische patiënten ≥80 jaar binnen het Jeroen Bosch Ziekenhuis (JBZ). Primaire uitkomstmaat was het verschil in aantal systemisch oncologische behandelingen. Secundaire eindpunten waren: verschil in aantal contacten met en opname in het ziekenhuis, behandeling met radiotherapie e/o chirurgie waarvoor narcose noodzakelijk was, diagnostisch onderzoek, palliatieve interventies en het aantal patiënten dat overleed op de door hen gewenste plek. Verschillen in uitkomsten werden getoetst met de Chi-square of Fischer’s exact test.
Er werden 3 groepen geformeerd: patiënten zonder PZP (groep 1), patiënten met PZP ongeacht het moment van invullen én aard ingevulde items (groep 2) en patiënten met PZP waarbij specifiek het onderdeel organisatie van zorg (gewenste plek van zorg en overlijden) minimaal 3 maanden voor overlijden was vastgelegd (groep 3).

Resultaten
134 patiënten werden geïncludeerd waarvan 75 zonder PZP (groep 1; 46.7% man, mediane leeftijd 84) en 59 met PZP (groep 2; 61% man, mediane leeftijd 83), waarvan er 15 tot groep 3 behoorden (53.3% man, mediane leeftijd 82).
Er was geen verschil voor het ondergaan van systemische therapie tussen de verschillende groepen. Patiënten waarbij organisatie van zorg vroegtijdig was vastgelegd (groep 3) ondergingen 1 maand voor overlijden minder diagnostisch onderzoek en minder bloedafnames dan patiënten zonder PZP (groep 1); respectievelijk 33.3% (n=5) vs. 69.3% (n=52) (p= 0.016), en 33.3% (n=5) vs. 62.7% (n=47)(p=0.048). Hoewel niet statistisch significant, viel op dat 50% (n=8) van de patiënten zonder PZP (groep 1) overleed op de plaats die zij verkozen, tegenover 93.3% (n=14) bij patiënten waarbij organisatie van zorg vroegtijdig was vastgelegd (groep 3). 20% (n=12) van de patiënten zonder PZP (groep 1) overleed in het ziekenhuis tegenover 7.1% (n=1) van de patiënten waarbij organisatie van zorg vroegtijdig was vastgelegd (groep 3).
Bij vergelijking van patiënten zonder PZP (groep 1) en groep 2 (patiënten met PZP waarbij vroegtijdig invullen van organisatie van zorg geen vereiste was) bleken patiënten uit groep 2; 1 maand voor overlijden
vaker werden opgenomen in het ziekenhuis (55.9% (n=33) vs. 29.3% (n=22), p=0.003); bezochten vaker een polikliniek (66.1% (n=39) vs. 44% (n=33), p=0.014) en ondergingen vaker radiologisch onderzoek (55.9% (n=33) vs. 32% (n=24), p=0.008).

Conclusie
De resultaten van deze studie suggereren dat het vroegtijdig schriftelijk vastleggen van behoeften en voorkeuren met betrekking tot zorg in een gestructureerd PZP, leid tot meer passend zorgverbruik en bijdraagt aan overlijden op de plek die men verkiest.

Aanbeveling
Vervolgonderzoek in een grotere populatie is nodig om de waarde van vroegtijdig vastleggen van het gestructureerd PZP op zorgverbruik verder te onderzoeken.

14:15

1.5.4 Positief denken bij mensen met kanker. Een kwalitatieve studie naar de betekenis van positief denken bij mensen met kanker die curatief worden behandeld

Corine Nierop- Van Baalen, Verpleegkundig Specialist/ Onderzoeker, Haaglanden Medisch Centrum

Introductie/achtergrond
In het dagelijks taalgebruik gebruiken mensen met kanker vaak het woord ‘positief denken’. Om deze reden en vanwege het feit dat weinig wetenschappelijke literatuur bestaat over positief denken bij mensen die curatief worden behandeld, verdient dit thema een grondig exploratie.

Onderzoekdoel
Om te exploreren wat de betekenis is van positief denken bij mensen met kanker die curatief opzet behandeld zijn of worden.

Methode
Dit kwalitatieve onderzoek is verricht m.b.v. secundaire analyses van eerder verworven individuele interview data (n=74). Nederlandse en Vlaamse mensen met kanker zijn geïncludeerd die curatief zijn of worden behandeld.

Resultaten
Positief denken betekent geloven in een goede afloop. Mensen zijn enorm geschrokken van de diagnose kanker en de toekomst is onzekerder geworden. Mensen vinden het moeilijk om te leven met deze onzekerheid en daarom vinden ze dat ze positief moeten denken. Ze willen blijven geloven dat ze er goed uit zullen komen, dat de ziekte niet terug zal komen. En als de ziekte terugkomt, dat deze dan opnieuw behandeld kan worden. Positief denken is leven alsof genezing een zekerheid is. De betekenis van positief denken gaat ook over van het leven kunnen genieten. Mensen kunnen van dit leven genieten als ze er niet aan denken dat het ook anders kan aflopen. Positief denken zorgt ervoor dat mensen zich mentaal sterk blijven voelen. Mensen laten verschillende manieren zien hoe ze positief denken, o.a. door negatieve gedachten, die vaak aanwezig zijn, tijdelijk te parkeren. Door dit tijdelijk parkeren van negatieve gedachten kan de stress gereduceerd worden en dit geeft ruimte om te leven. Dit leven kan dan op een meer betekenisvolle manier worden ingevuld. De mate waarin er inspanningen geleverd moeten worden om positief te denken kan per individu verschillen.

Conclusies
Mensen met kanker hebben positief denken nodig om te leven, alsof genezing een zekerheid is. Daardoor kunnen ze van het leven genieten. Positief denken is een manier om hun angsten te bezweren.

Literatuur
In de populaire media wordt aangenomen dat wanneer iemand positief denkt hij of zij zijn kansen op genezing daarmee kan vergroten. Wetenschappelijke studies ondersteunen deze bewering niet. Enkele auteurs beschrijven positief denken als een coping strategie. Enkele andere studies naar positief denken laten zien dat positief denken geassocieerd wordt met een betere kwaliteit van leven. De huidige literatuur maakt geen onderscheid tussen mensen met kanker en het stadium van de ziekte (curatief dan wel palliatief).

Aanbevelingen/klinische relevantie
Oncologieverpleegkundigen en verpleegkundig specialisten kunnen de dagelijkse zorg voor mensen met kanker die bezig zijn met een curatieve behandeling, beter afstemmen, als ze meer inzicht hebben in de functie van positief denken en de manier waarop mensen dit vormgeven. Hulpverleners kunnen naar positief denken kijken als een positieve waarde.

14:30

Pauze

Parallel ronde 2

Van 15:00 uur tot 16:00 uur vindt parallel ronde 2 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

2.1 Transmuraal thuis (palliatieve zorg)

15:00

2.1.1 PZ-coach over 1,5e lijns palliatieve zorg

Henk-Jan de Winter, senior adviseur Proscoop

15:30

2.1.2 Transmurale palliatieve zorg - IPC project

Marloes Koster & Bodien Schilder, Verpleegkundig Specialisten AGZ, NKI-AvL

2.2 Verpleegkundig onderzoek, gaat door!

15:00

2.2.1 Op zoek naar bewijs op de werkvloer

dr. Wendy Oldenmenger, coördinator verpleegkundig oncologisch onderzoek, Erasmus MC Kanker Instituut

Als verpleegkundige zie je veel tijdens je werk, ook vaak zaken waarbij je vraagtekens hebt. Dit soort vragen zijn ideaal voor literatuuronderzoek. In deze presentatie zullen de stappen voor het formuleren van een CAT (critically appraised topics) en wat je er daarna mee kunt uitgelegd worden met behulp van enkele praktijkvragen.

15:30

2.2.2 De waarde van het experiment: van Godsgeschenk tot existentiële crisis

Dr. Diane van der Biessen, verpleegkundig specialist, Erasmus MC Kanker Instituut

In deze sessie willen we door middel van casuïstiek ingaan op de waarde van verpleegkundig onderzoek voor patiënten met kanker, met beperkte of geen standaard behandel opties, die deelnemen aan vroeg klinisch onderzoek. Aan de hand van verschillende onderzoeksmethoden willen we laten zien hoe we op de werkvloer aan de kennis over hun ervaringen, motivatie en toekomstverwachtingen zijn gekomen.

2.3 Nieuwe ontwikkelingen; dat ruikt naar meer…

15:00

2.3.1 BiTEs ® in de oncologie: de nieuwe generatie in de behandeling van kanker

Martijn Lolkema, internist-oncoloog, Erasmus MC Kanker Instituut

Bispecifieke antistoffen zijn een nieuwe vorm van behandeling. Deze behandelingen maken gebruik van het feit dat we in het laboratorium heel creatief kunnen omgaan met eiwitten. Door een antistof 2 of zelfs 3 antigenen te laten herkennen kunnen we kanker cellen op andere manieren proberen aan te pakken. In het geval van de BiTEs koppelen we direct tumor cellen aan T-cellen en activeren we zo de afweer tegen de tumor. Op deze manier gebruiken we de herkenning van cel oppervlakte eiwitten zoals PSMA en HER2 om tumor cellen direct te laten herkennen door T-cellen. In het praatje gaan we dieper in op de achtergrond en de klinische ervaring die we hebben rondom deze nieuwe behandelingen.

2.3.2 E-nose

Ivonne Schoenaker, verpleegkundig specialist MDL, Isala Zwolle

2.4 Als wonden niet meer genezen

15:00

Als wonden niet meer genezen

Gittie Willems, Wondconsulente Decubitus en Wond, Maastricht Universitair Medisch Centrum & Romy Stürbl, Wondconsulente, Wondexpertisecentrum medisch centrum VieCuri Venlo

Aan de hand van casuïstiek willen we jullie meenemen in de praktijk. Welke kennis heb je nodig als verpleegkundige en hoe ga je om met de patiënt met een oncologisch ulcus/wond. Aan bod komen de etiologie, pathologie, psychosociale ondersteuning en wondverzorging in de thuissituatie.

2.5 Open abstracts

15:00

2.5.1 Voedingsinname na een oesophaguscardiaresectie: evaluatie van een nieuw voedingsprotocol

Judith Wijs-Matulessy, Radboudumc

Achtergrond: Na een oesophaguscardiaresectie (OCR) werden patiënten gevoed door middel van sondevoeding via een duodenumsonde of een jejunostomie of door middel van parenterale voeding. Studies laten zien dat dit echter niet tot betere uitkomsten leidt dan een oraal dieet (1, 2). In maart 2020 werd het voedingsprotocol gewijzigd waarin een oraal dieet geïntroduceerd werd. Patiënten worden na een OCR aan de hand van een opbouwschema oraal gevoed.

Doel onderzoek: In dit onderzoek wordt de toepassing van voedingstherapie bij patiënten na een OCR geëvalueerd.

Methode: In een retrospectief onderzoek wordt de voedingstherapie van patiënten die een OCR ondergingen in het Radboudumc geëvalueerd. Primaire uitkomsten zijn de vorm van voedingstherapie, en calorie-, eiwit-, en vochtinname per 24 uur tijdens de eerste 14 postoperatieve dagen (POD). Het orale voedingsprotocol omvat een opbouw in volume (van 300ml naar minimaal 1500ml per 24 uur) en consistentie (van vloeibaar naar normale producten) gedurende 14 dagen. Verpleegkundigen dragen zorg voor de naleving in totaal volume per 24 uur en consistentie. De maaltijdservice heeft een specifiek menu van afwisselende producten die geconsumeerd worden. Patiënten die in 2020 een OCR ondergingen ten tijde van het orale voedingsprotocol werden geïncludeerd. Daadwerkelijke inname van calorieën, eiwitten, en vochtvolume wordt vergeleken met de voedingsdoelen van het protocol.

Voorlopige resultaten: In 2020 ondergingen 46 patiënten een OCR terwijl het nieuw voedingsprotocol was ingevoerd. Bij 5 (11%) van hen vond de eerste 14 dagen geen orale voedingsinname plaats. De overige patiënten (n=41, 89%) volgden het orale voedingsprotocol. De resultaten van de orale voedingsinname worden momenteel geanalyseerd.

Voorlopige conclusie: Orale voedingsinname na een OCR is geschikt voor de meeste patiënten. Feitelijke voedingsinname via het orale dieet wordt momenteel onderzocht. Medio juli 2021 zijn deze resultaten bekend.

Aanbevelingen/klinische relevantie:
Ook andere ziekenhuizen kunnen dit protocol implementeren. Het is haalbaar voor een groot deel van de patiënten.

Referenties
1. Berkelmans GH, van Workum F, Weijs TJ, Nieuwenhuijzen GA, Ruurda JP, Kouwenhoven EA, et al. The feeding route after esophagectomy: a review of literature. J Thorac Dis. 2017;9(Suppl 8):S785-S91.
2. Weijs TJ, Berkelmans GH, Nieuwenhuijzen GA, Dolmans AC, Kouwenhoven EA, Rosman C, et al. Immediate Postoperative Oral Nutrition Following Esophagectomy: A Multicenter Clinical Trial. Ann Thorac Surg. 2016;102(4):1141-8.

15:15

2.5.2 Verschillen in zorgervaringen tussen patiënten met een zeldzame kanker en patiënten met een niet-zeldzame kanker: resultaten van een landelijk cross-sectioneel onderzoek

Eline de Heus, junior onderzoeker, IKNL

1. Introductie/achtergrond: Patiënten met een zeldzame kanker worden geconfronteerd met uitdagingen tijdens de diagnose en behandeling, als ook bij de toegang tot klinische expertise. Wetenschappelijk onderzoek naar de zorgervaringen van deze patiënten in vergelijking met patiënten met niet-zeldzame kanker is schaars.

2. Onderzoekdoel: Het doel van het onderzoek was om de verschillen in zorgervaringen tussen patiënten met een zeldzame en niet-zeldzame vorm van kanker te onderzoeken met betrekking tot diagnostiek en behandeling in meerdere ziekenhuizen, ziekenhuiskeuze, medische expertise, second opinion en reisafstand naar zorg.

3. Methode: Gegevens zijn cross-sectioneel verzameld onder volwassen (ex-)kankerpatiënten via een landelijke online enquête (Doneer Je Ervaring; NFK) in Nederland (oktober 2019). Beschrijvende statistiek is uitgevoerd en subgroepen (patiënten met een zeldzame vs. niet-zeldzame kanker) zijn vergeleken. Gegevens van de Nederlandse Kankerregistratie zijn gebruikt om bevindingen te verifiëren.

4. Resultaten: In totaal namen 7.343 patiënten (1.856 zeldzame en 5.487 niet-zeldzame kankerpatiënten) deel. Patiënten met een zeldzame kanker zijn vaker gediagnosticeerd en behandeld in verschillende ziekenhuizen dan patiënten met een niet-zeldzame kanker (67% vs. 59%, p <0,001). Patiënten met een zeldzame kanker kregen vaker behandeling in één ziekenhuis (60% vs. 57%, p = 0,014), maar rapporteerden meer negatieve ervaringen bij behandeling in meerdere ziekenhuizen dan niet-zeldzame kankerpatiënten (14% vs. 9%, p <0,001). Ze kregen ook vaker advies van hun arts over het ziekenhuis waar ze heen moesten voor een second opinion (50% vs. 36%, p <0,001), ze kozen vaker voor een ziekenhuis gespecialiseerd in hun kankertype (33% vs. 22 %, p <0,001) en waren meer bereid om zo lang als nodig te reizen voor gespecialiseerde zorg dan niet-zeldzame kankerpatiënten (55% vs. 47%, p <0,001).

5. Conclusies: Patiënten met een zeldzame en niet-zeldzame kanker verschillen in hun zorgervaringen. De gezondheidszorg voor patiënten met zeldzame kanker kan verder worden verbeterd door een goede verwijzing naar expertisecentra en door een klinisch netwerk op te bouwen specifiek voor zeldzame kankers.

6. Literatuur
• Komatsubara, K.M. and R.D. Carvajal, The promise and challenges of rare cancer research. Lancet Oncol, 2016. 17(2): p. 136-138.
• [No authors listed], Very rare cancers – a problem neglected. The Lancet Oncology, 2001. 2(4): p. 189.
• Gatta, G., et al., Survival from rare cancer in adults: a population-based study. Lancet Oncol, 2006. 7(2): p. 132-40.
• Jain, R., et al., Travel burden associated with rare cancers: The example of Merkel cell carcinoma. Cancer Med, 2019. 8(5): p. 2580-2586.
• Feinberg, Y., et al., Patient experiences of having a neuroendocrine tumour: a qualitative study. European Journal of Oncology Nursing, 2013. 17(5): p. 541-545.
• Warby, A., et al., A survey of patient and caregiver experience with malignant pleural mesothelioma. Support Care Cancer, 2019. 27(12): p. 4675-4686.

7. Aanbevelingen/klinische relevantie: Zorgverleners in de dagelijkse klinische praktijk moeten zich bewust zijn van de verschillende zorgervaringen van patiënten met zeldzame en niet-zeldzame kankers en daarbij passende begeleiding en ondersteuning bieden. Daarnaast moeten er regionale klinische netwerken worden opgezet om de juiste verwijzing van patiënten met zeldzame kankers naar expertisecentra te ondersteunen en om hun zorg te verbeteren.

15:30

2.5.3 N.t.b.

Introductie: Zaadbalkanker is de meest voorkomende vorm van kanker onder jonge mannen. Het merendeel van de patiënten geneest dankzij de huidige behandeling. Deze behandeling gaat gepaard met een tal van late effecten die een grote invloed op de kwaliteit van leven kunnen hebben. Eén van de doelen van follow-up zorg is het signaleren, monitoren en eventueel behandelen van deze late effecten. Instrumentontwikkeling is nodig om dit proces te ondersteunen aangezien er geen geschikt meetinstrument beschikbaar is om late effecten van de behandeling van zaadbalkanker te meten.

Doel: Het doel van deze studie was, als eerste stap van instrumentontwikkeling, het vaststellen van de prevalentie en intensiteit van late effecten van patiënten met zaadbalkanker, binnen het fysieke, psychische, sociale en existentiële domein.

Methode: Middels een stapsgewijze aanpak is allereerst een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd om een complete lijst van late effecten te genereren. Deze lijst is aan zorgprofessionals voorgelegd, waarna een lijst van 39 items is ontwikkeld. Deze lijst is middels een survey verspreid onder patiënten met zaadbalkanker in poliklinische follow-up. Alle late effecten werden voorzien van een Numeric Rating Scale (NRS), zodat patiënten aan elk laat effect een cijfer konden toekennen, op basis van de afgelopen 3 maanden. Resulaten werden geanalyseerd middels beschrijvende statistiek.

Resultaten: Van de 80 uitgenodigde deelnemers hebben 45 patiënten (56,3%) de survey ingevuld. De gemiddelde leeftijd van patiënten met zaadbalkanker die de survey invulden was 38,8 jaar (± 8.9). Ongeveer de helft van de groep werd behandeld met een orchidectomie, waarna meerdere cycli of lijnen chemotherapie volgden. De performance status van 88,9% van de patiënten was WHO 0. De meesten waren ten tijde van invullen van de survey in hun tweede follow-up jaar. Vermoeidheid (64,4%), verstoord algeheel welbevinden (62,2%), neuropathie (57,8%) en concentratieproblemen (53,3%) werden als meest prevalent gescoord. Daarnaast scoorden patiënten deze zelfde late effecten ook met de hoogste intensiteit.

Conclusie: Deze studie geeft inzicht in de prevalentie en intensiteit van late effecten, zoals aangegeven door patiënten met zaadbalkanker. Deze bevindingen ondersteunen het proces van instrumentontwikkeling om de late effecten structureel en op een systematische te signaleren en te monitoren.
Aanbevelingen/klinische relevantie:
Wanneer in de klinische praktijk een gevalideerde USD-module voor patiënten met zaadbalkanker gebruikt wordt, kan de follow-up zorg verbeterd worden doordat patiënten met behulp van de USD-module inzicht krijgen in de door hen ervaren symptoomlast van belangrijke late effecten. Hierdoor krijgen zij overzicht over hun eigen zorgproces en wordt de eigen autonomie en regie bevorderd. Op deze wijze kunnen zij de voor hen belangrijke late effecten, inclusief moeilijk te bespreken onderwerpen, eenvoudiger bespreekbaar maken met hun zorgverlener.

15:45

2.5.4 SILENCE studie: ervaringen rondom en de betekenis van het hebben van vagina-, vulva-, penis-, of anuskanker

Jessy van Dongen, onderzoekstagiaire, IKNL

1. Introductie/achtergrond: Patiënten met moeilijk bespreekbare tumoren als vagina-, vulva-, penis-, of anuskanker geven aan dat de huidige psychosociale ondersteuning onvoldoende op maat aangeboden wordt en daarmee niet voldoet aan hun wensen. Wetenschappelijk onderzoek naar de ervaringen van patiënten met deze zeldzame kankers ten aanzien van de psychosociale ondersteuning ontbreekt tot op heden.

2. Onderzoekdoel: Het in kaart brengen van de ervaringen van patiënten met vagina-, vulva-, penis- of anuskanker rondom psychosociale ondersteuning, taboe, stigma, seksualiteit, betekenis van, en het omgaan met deze zeldzame vormen van kanker.

3. Methode: In dit kwalitatieve onderzoek zijn semi-gestructureerde interviews gehouden aan de hand van een topiclist, die ontwikkeld is op basis van literatuuronderzoek en ervaringen van experts. Patiënten kwamen in aanmerking voor deelname als: 1) ze waren gediagnosticeerd met vagina-, vulva-, penis-, of anuskanker, 2) de diagnose niet langer dan vijf jaar geleden gesteld is, en 3) communicatie in het Nederlands en/of Engels mogelijk was. Werving van patiënten heeft plaatsgevonden via: 1) medisch specialisten met expertise ten aanzien van deze zeldzame vormen van kanker, 2) relevante stakeholders, bijvoorbeeld patiëntenorganisaties en 3) social media. Data uit de semi-gestructureerde interviews zijn getranscribeerd en verwerkt met behulp van thematische analyses.

4. Resultaten: In totaal hebben 15 patiënten met vagina-, vulva-, penis-, of anuskanker deelgenomen. Op moment van indienen van dit abstract zijn de thematische analyses gaande. Resultaten kunnen tijdens het symposium gepresenteerd worden.

5. Conclusies: Psychosociale ondersteuning voldoet vaak niet aan de behoeften van patiënten met vagina-, vulva-, penis- of anuskanker. De behoeften van patiënten verschillen per fase van het traject, waardoor psychosociale ondersteuning standaard aangeboden zou moeten worden op verschillende momenten. Bij het bespreken van de diagnose en de behandeling hebben patiënten behoefte om inzicht te krijgen in de gevolgen, zowel fysiek als psychisch. In het nazorgtraject is het belangrijk dat patiënten ondersteund worden op emotioneel vlak, waaronder omgaan met de gevolgen. Daarnaast moet het ontstaan en bestaan van deze zeldzame kankers meer bekendheid krijgen in de samenleving, zodat het taboe wat patiënten nu ervaren, weggenomen kan worden.

6. Literatuur:
• IKNL. NKR cijfers. 2020 [Available from: www.iknl.nl/nkr-cijfers].
• Jefferies H, Clifford C. Aloneness: the lived experience of women with cancer of the vulva. European Journal of Cancer Care. 2011;20(6):738-46.
• Mortensen GL, Jakobsen JK. Patient perspectives on quality of life after penile cancer. Danish Medical Journal. 2013;60(7):A4655

16:00

Pauze

Parallel ronde 3

Van 16:30 uur tot 17:30 uur vindt parallel ronde 3 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

3.1 (Onco)genetica, gepersonaliseerde zorg!

16:30

3.1.1 Erfelijkheidsonderzoek anno 2021; wat betekent dit voor de klinische praktijk?

Conny van der Meer, Verpleegkundig specialist Klinische Genetica, Erasmus MC Kanker Instituut

Technologische ontwikkelingen binnen het DNA-onderzoek gaan razendsnel. Dit leidt tot nieuwe dilemma’s binnen de praktijk van de Klinische Genetica en de Klinische Oncologie. Aan de hand van casuïstiek worden een aantal belangrijke ontwikkelingen en dilemma’s besproken.

17:00

3.1.2 Whole genome sequencing; elke gemetastaseerde patiënt heeft er recht op!

Prof. dr. ir. Koos van der Hoeven, internist-oncoloog, Hartwig Medical Foundation

Whole genome sequencing brengt alle kenmerken van het DNA van de tumor in kaart, waardoor er een volledig(er) beeld ontstaat van de mogelijkheden voor de behandeling van de patiënt. De kans dat de patiënt het juiste medicijn krijgt wordt hiermee vergroot, of op basis van de DNA-test kan blijken dat een medicijn wellicht niet of minder goed kan werken. Naast “therapie op maat” die reeds in de standaard zorg gegeven kan worden, komen met deze test ook eventuele mogelijkheden naar voren voor deelname in een lopende klinische studie.
Koos van der Hoeven is één van de directieleden van Hartwig Medical Foundation. Zijn motto: iedere patiënt met uitzaaiingen van kanker heeft minimaal één keer recht op een uitgebreide Whole Genome Sequencing (WGS)-gebaseerde DNA-test gedurende zijn behandeling.
Hartwig Medical Foundation heeft als missie de vooruitgang in het onderzoek naar kanker en de behandeling daarvan stimuleren, met als doel om de zorg voor toekomstige kankerpatiënten te verbeteren. Hartwig Medical Foundation streeft ernaar te bereiken dat iedere kankerpatiënt de juiste (en meest effectieve) behandeling krijgt, waaronder de juiste medicatie, met de juiste dosering, in de juiste periode, op het juiste moment.

3.2 Reguliere AYA-zorg in de verpleegkundige praktijk

16:30

Reguliere AYA-zorg in de verpleegkundige praktijk

Martine Folsche, verpleegkundig specialist AYA-zorg, Erasmus MC Kanker Instituut & Henny van Essen, verpleegkundige & coördinator AYA-zorg, UMC Groningen

In de leeftijdsspecifieke zorg voor jongvolwassenen met kanker speelt de verpleegkundige een centrale rol. In deze sessie wordt besproken welke expertise en interventies de verpleegkundige inzet bij AYA-zorg. Ook wordt ingegaan op samenwerking tussen de verpleegkundige met andere zorgverleners van het eigen ziekenhuis of van het AYA Zorgnetwerk. Tevens gaat deze interactieve sessie in op hoe om te gaan met professionele afstand en nabijheid bij een patiënt die zo oud is als jij of een kind van je had kunnen zijn.
Door de sessie zal, aan de hand van casuïstiek, de verpleegkundige diens deskundigheid in het verlenen van en kennis over AYA-zorg kunnen bevorderen en verdiepen.

3.3 Wait and See / Niks doen is ook behandelen

16:30

3.3.1 N.t.b.

Linda Bouwmeester, verpleegkundig specialist onco-urologie, Isala Zwolle

17:00

3.3.2 wait and see beleid bij rectumcarcinoom

Niels Wijffels, colorectaal chirurg, Antonius Ziekenhuis

3.4 Hematologie Hot Topics

Deze sessie wordt momenteel nog vorm gegeven.

17:30

Poster borrel

Avondsymposium II

18:30

Ontvangst + registratie deelnemersavondsymposium

Inclusief dinerbuffet

19:00

Vermoeidheid bij kanker - help je patiënt op te laden

Patiënten die kanker hebben of hebben gehad kunnen (veel) last hebben van vermoeidheid. Het energieniveau bepaalt voor veel patiënten de kwaliteit van leven. Soms lukken door vermoeidheid de meest simpele dingen niet meer en moeten er keuzes gemaakt worden. Vermoeidheid is de meest voorkomende bijwerking bij kanker en ook de meest onbesproken bijwerking. Hoe breng je het onderwerp ter sprake en kun je oplossingen bieden?

Tijdens dit avondsymposium staan we stil bij het onderwerp vermoeidheid bij kanker, de oorzaken en wat je als verpleegkundige de patiënt kunt bieden om de vermoeidheidsklachten te verminderen en onder controle te krijgen.

Deze meeting is inclusief dinerbuffet voorafgaand aan de meeting 

21:00

Afsluitende borrel

woensdag 17 nov

V&VN Oncologiedagen || dag 2

07:30

Ontvangst en registratie deelnemers ontbijtmeetings

Inclusief ontbijtbuffet

Ontbijtmeeting 3: Het belang van een volledig patiëntprofiel in de behandeling van patiënten met PARP-remmers

08:00

Het belang van een volledig patiëntprofiel in de behandeling van patiënten met PARP-remmers

Jan Ouwerkerk, research coördinator oncologie, LUMC, Leiden

Dankzij gerichte therapieën kunnen steeds meer verschillende vormen van kanker behandeld worden. PARP-remmers zijn een van de klasse geneesmiddelen die worden ingezet bij meerdere soorten van kanker: pancreas-, prostaat-, ovarium- en borstkanker. Om de overleving te kunnen verbeteren en binnen alle indicaties patiënten zo goed mogelijk te kunnen behandelen, is goede medicatie alleen niet voldoende. Snelle en gedegen diagnostiek is cruciaal, niet alleen voor het bepalen van de behandelstrategie, maar ook vanuit erfelijkheidsperspectief. In deze ontbijtsessie delen experts aan de hand van PARP-remmers wat het belang is van goede diagnostiek in zowel het kader van behandeling als op het gebied van erfelijkheid en hoe patiënten met verschillende vormen van kanker optimaal kunnen worden ondersteund op, tijdens en na hun behandeling met PARP remmers.

Deze ontbijtmeeting wordt vormgegeven en mede mogelijk gemaakt door AsteraZeneca. Deelname is inclusief ontbijt

08:00

Opening ontbijtmeeting

Jan Ouwerkerk, research coördinator oncologie, LUMC, Leiden

08:05

Parp remmers: wat is het indicatie gebied voor deze doelgerichte therapieën

N.t.b.

PARP remmers zijn een van de doelgerichte therapieën die voor meerdere vormen van kanker kunnen worden ingezet: pancreas-, prostaat-, ovarium- en borstkanker. Dit betekent dat met een doelgericht middel meerdere vormen van kanker kunnen worden behandeld. Wat zijn de overeenkomsten in de behandeling van verschillenden patiënten, en waar liggen verschillen? En hoe zorg je er voor dat al deze patiënten optimaal worden ondersteund, voorafgaand, tijdens en na de behandeling met een PARP remmer?

08:35

Welke rol spelen diagnostiek en erfelijkheid bij kanker?

N.t.b.

De rol van diagnostiek en erfelijkheid speelt bij steeds meer vormen van kanker een belangrijke rol. Welke methodieken zijn er op dit moment beschikbaar ten aanzien van diagnostiek en erfelijkheid en op basis van welke factoren wordt bepaald welke test wordt ingezet om (1) een zo volledig mogelijk inzicht te krijgen in het profiel van de patiënt en de juiste behandeling te kunnen initiëren en (2) inzicht te krijgen rondom een mogelijke erfelijkheidsprofiel van patiënten met verschillende vormen van kanker.

09:05

Stellingen/Quiz

09:25

Afsluiting

Jan Ouwerkerk, research coördinator oncologie, LUMC, Leiden

Ontbijtmeeting 4:

08:00

Online patiëntenbegeleiding: kopzorg of topzorg?

Door de huidige COVID situatie is wel duidelijk geworden : online patiënten begeleiding is niet meer weg te denken uit de (oncologische) zorg. Als we terugkijken dan zijn er afgelopen jaren diverse online begeleidingsprojecten gestart; van hele succesvolle tot grijze haren varianten aan toe. Leveren zulke project nou echt gepersonaliseerde zorg, verbeterde levenskwaliteit en overleving op bij oncologiepatienten? En niet onbelangrijk: wat betekent dat voor jouw werkzaamheden als oncologisch verpleegkundig(e) specialist. Levert het nou kopzorg of topzorg op? Tijdens deze ontbijtsessie delen oa oncologisch verpleegkundigen hun ervaringen met online patiënten begeleidingsprogramma’s vanuit de praktijk. Wat waren hun ervaringen & uitdagingen, waarbij je kan denken aan minder ziekenhuisopnames, vermindering spreekuur belasting, verbetering therapietrouw en wat kun jij straks in de praktijk van deze vorm van patientenzorg verwachten?

Deelname is inclusief ontbijt.

09:00

Ontvangst en registratie deelnemers + opening Beursvloer

Plenaire programma || opening

10:00

Welkom door bestuur V&VN Oncologie

Anne Boerboom, voorzitter V&VN Oncologie

10:15

Schaamtumoren: schaamte onder de gordel

Marga Schrieks, Projectleider zeldzame kankers, NFK

In deze sessie staan de ervaringen van patiënten met schaamtevolle kankersoorten zoals anus en peniskanker centraal en krijg je praktische handvatten als professional hoe je het beste met de kwetsbare onderwerpen rondom deze aandoeningen op het gebied van bijvoorbeeld seksualiteit, taboe en onbegrip om kan gaan. Op een speelse en interactieve manier gaan we met elkaar in gesprek overhet bespreekbaar maken van deze zaken in de spreekkamer en kijken we wat je daarbij (nog beter) kan gebruiken. Vanuit het perspectief van de patient en van de professional delen we kennis en praktische tips en ervaringen met elkaar zodat we in de toekomst schaamteloos over penis, anus en andere taboe-kankersoorten kunnen praten.

11:00

Pauze

Plenaire programma || Taboes

11:30

Hoe bereid je, je voor op de dood?

Frederieke Weeda, verslaggever NRC, auteur van het boek 'Draai niet om de dood heen'

11:50

Hoe ga je verder naar de dood?

Michel & Brian de Hond, stichting achter de komma

12:15

Uitreiking Award of Excellence Oncology Nursing & Poster prijs uitreiking

12:30 Lunchpauze

12:45

Lunchmeeting II: Immunotherapie: stand van zaken anno 2021

Deze lunchmeeting wordt vormgegeven door de Themawerkgroep Immuno/Doelgerichte therapie en mede mogelijk gemaakt door een unrestricted grant van BMS en is inclusief lunch.

Immuuntherapie is niet meer weg te denken in de behandeling van kanker en heeft bij verschillende tumorsoorten een plek gekregen in de standaard behandeling.

Dit geldt zowel voor de behandeling van gemetastaseerde ziekte als voor behandeling in de adjuvante behandeling. Klinische trials zijn gaande betreffende de toepassingen in de neo-adjuvante setting en de eerste resultaten zijn hoopvol dat hier ook een plaats is voor immuuntherapie.

Inmiddels zijn er naast de combinatie immuuntherapie en de monotherapieën met anti-PD1 tevens registraties verkregen voor de combinatie van immuuntherapie met andere behandelingen zoals die met tyrosinekinaseremmers bij niercelcarcinoom en die met radiotherapie bij het longcarcinoom.

Tijdens deze lunchsessie wordt er ingegaan op de diverse indicaties voor immuuntherapie. Zowel de nieuwe combinaties bij niercelcarcinoom en longcarcinoom als ook de adjuvante behandelingen bij longcarcinoom en melanoom komen aan bod. Bijwerkingen en management van immuun gerelateerde bijwerkingen en bijwerkingen van combinatiebehandelingen worden besproken, onder andere door casuïstiek.

Inmiddels is er ook meer onderzoek gedaan bij het melanoom naar patiënt gerapporteerde klachten en kwaliteit van leven tijdens immuuntherapie (anti PD-1) en zijn er meer data bekend, onder andere door het gebruik van het Utrecht Symptomen Dagboek (USD). Tijdens deze sessie worden deze onderzoeksgegevens besproken en de implicaties voor de zorg voor patiënten met immuuntherapie komen hierbij aan bod.

Deze lunchmeeting wordt vormgegeven door de Themawerkgroep Immuno/Doelgerichte therapie en mede mogelijk gemaakt door  een unrestricted grant van BMS en is inclusief lunch

Poster Pitch sessie 2

Tijdens de lunchpauze vinden op de beursvloer de onderstaande poster pitches plaats

13:00

PP05 Frequently missed care needs in oncology units reported by nursing staff and patients: A systematic review of cross-sectional studies

Christien Beiboer, Oncologie Verpleegkundige en Verplegings Wetenschapper i.o., Medisch Centrum Leeuwarden

Background: Missed care needs in oncology settings are defined as omitting or delaying all or part of the required care for patients. Both nurses and patients experience missed care needs in health care. Recently, missed care has been considered as an important factor that influences the quality of nursing care.
Better identification of this could be a good reference in the development of new targeted services and new intervention protocols to improve the quality of patient care. Therefore, the aim was to systematically review the literature on most frequently missed care needs in adult patients in oncology units, reported by nursing staff and oncology patients.

Methods: A search of the literature was conducted in February 2020 using PubMed, CINAHL and EMBASE. This identified 350 articles, of which five cross-sectional studies were included for the review. Quality appraisal was based on the AXIS checklist for cross-sectional studies. The PRISMA statement for reporting systematic reviews was followed.

Results: Nursing staff reported the most frequently missed care needs in the dimension of interventions for basic care: ambulation, turning patients, mouth care and toilet care. The most frequently missed care needs reported by patients were spread across a range of domains: information, relational aspects and dialogue with professionals.
Conclusion: The most frequently missed care needs in oncology units differ between nursing staff and patients. The findings call for investigating reasons for missed care needs, education and creating awareness among nursing staff, and assessment of the care needs of each individual patient.
Implications of key findings: The findings of this review could be used in the development of interventions for reducing the most frequently missed care needs among nursing staff and patients in oncology units. Further research is needed for implementing effective interventions to improve the quality of care for oncology patients and strengthening nursing care.

13:05

PP06 Niemand meer in de kou door de regionale Wegwijzer bij Kanker

Conny Molenkamp, verpleegkundig specialist Palliatieve Zorg/Oncologie 1e Lijn, Evean

Introductie
Naast medische aspecten heeft de diagnose en behandeling voor kanker vaak ook een sterke impact op bijvoorbeeld werk, relaties en mentale gesteldheid.
Velen valt het zwaar om tijdens of na kanker de draad van het leven op te pakken vanuit een veranderd perspectief.
Tijdens diagnose en behandeling is er vaak veel liefdevolle zorg door artsen en (wijk)verpleegkundigen en troostende aandacht van vrienden en familie.
Als de storm wat gaat liggen is er steeds minder zorg en aandacht, zowel van zorgverleners als van het eigen netwerk. Veel mensen voelen zich daardoor in de kou staan. Dit geldt zowel voor mensen in een curatief als een palliatief traject.
Toch is er veel nazorg en ondersteuning beschikbaar, maar dat bereikt de mensen blijkbaar onvoldoende en niet op tijd. Ook veel cliënten van Huis aan het Water, een oncologisch nazorgcentrum in Katwoude, even ten noorden van Amsterdam, gaven aan dat zij pas laat hoorden over de mogelijkheid van goede nazorg tijdens of na kanker.
Dit was de aanleiding voor Huis aan het Water om met subsidie van ZonMw vanuit het programma “Juiste Zorg op de Juiste plek” in 2019 een project te starten in de regio Zaanstreek-Waterland.

Doel
Door goed samen te werken in de regio en actief een overzichtelijk aanbod van nazorg te bieden, kunnen mensen vinden wat ze nodig hebben om verder te kunnen met kwaliteit van leven na de diagnose kanker.
Dit is op te vatten als secundaire preventie, omdat je door het bieden van goede nazorg voorkomt dat mensen later terugvallen en dure acute zorg nodig hebben.

Methode
Het project is opgezet aan de hand van het gedachtegoed van Positieve Gezondheid. Bovendien is het domeinoverstijgend opgepakt: allerlei regionale spelers uit de formele zorg, de informele zorg en het sociale domein zijn erbij betrokken.
In werkconferenties werd gewerkt aan onderlinge kennismaking en probleemanalyse.
In werkgroepen werden oplossingen uitgewerkt.
Regionale communicatie is gedaan via het podcastkanaal ‘Over Kanker Gesproken’ en een symbolische regionale busreis op Wereldkankerdag 2020 en een Live uitzending over nazorg in 2021.

Resultaten
Als tussentijdse resultaten gelden de toegenomen onderlinge bekendheid en een breed draagvlak om een vernieuwing in de regio in te voeren: een Wegwijzer bij Kanker.
Dat wordt een website met een helpdesk die dag en nacht bereikbaar is.
Mensen kunnen daardoor altijd ergens terecht met hun vragen. Ze worden persoonlijk geholpen dat te vinden wat ze nodig hebben en staan daardoor niet meer in de kou.

13:10

PP07 Pilot ontbijtbuffet op oncologische en gastro-intestinale chirurgie afdeling voor vroege mobilisatie en hogere voedingsinname

Selma Musters, PhD student, Amsterdam UMC

Achtergrond:
Vroeg herstarten van normale intake en mobilisatie verbeteren het postoperatieve herstel. Echter één op de zes chirurgische patiënten is ondervoed gedurende de ziekenhuisopname en ongeveer de helft van de patiënten eet 50% of minder van het aangeboden eten.

Doel onderzoek:
In deze pilot hebben we de impact van een nieuw geïntroduceerd ontbijtbuffet op twee afdelingen voor gastro-intestinale oncologische chirurgie op eiwit- en energie-inname onderzocht.

Methode:
Patiënten (≥ 18 jaar) werden tijdens de ziekenhuisopname uitgenodigd om te ontbijten in een aangename buffetruimte. Patiënten konden ook hun ontbijt geserveerd krijgen op bed. De pilot bestond daarom uit één groep patiënten die in meer of mindere mate gebruik heeft gemaakt van het ontbijtbuffet. Verschillende producten zoals warme crêpes, gekookte eieren en een yoghurt bar werden naast het standaard menu extra aangeboden op het buffet. Om de buffetruimtes aantrekkelijk te maken, werden de ruimtes ingericht met nieuwe stoelen, tafels voor twee en decoratie items. Primaire uitkomsten waren eiwit- en energie-inname gedurende het ontbijt. Patiënten werden gevraagd om in een dagboek de voedingsinname van het ontbijt te noteren tot maximaal zeven dagen na de opnamedag. Prognostische variabelen werden verzameld middels patiënten dossiers en werden gebruikt voor multivariabele lineaire regressie analyses.

Resultaten:
In totaal zijn 77 patiënten geïncludeerd waarvan 57% oncologische patiënten. Per patiënt was het mediane gebruik van het ontbijtbuffet gedurende de follow-up periode 50% (IQR 0 – 83). Gemiddelde eiwit-inname was 14.7 gram (SD 8.4) en gemiddelde energie-inname was 332.3 kilocalorieën (SD 156.9). Voorspellers voor een hogere eiwit-inname waren het gebruik van het ontbijtbuffet (β=0.06, p=0.01) en lichaamsgewicht (β=0.13, p=0.01). Voor energie-inname waren het gebruik van het ontbijtbuffet (β= 1.00, p=0.02) en Delirium Observation Scale (DOS) (β = -246.29, p=0.02) voorspellers voor hogere energie-inname.

Conclusie:
In deze pilot cohort studie kunnen we voorzichtig concluderen dat het gebruik van het ontbijtbuffet significant bijdraagt aan hogere eiwit- en energie-inname in patiënten.

Aanbevelingen/klinische relevantie:
Het gebruik van het ontbijtbuffet bij gastro-intestinale (oncologische) patiënten blijkt een goede aanpak te zijn om voedingsinname te verbeteren.

13:15

PP08 Interventies van invloed op de psychosociale last bij zorgvragers met prostaatkanker tijdens Actief Volgen

Kim Donachie, Onderzoeker, Hogeschool Van Arnhem En Nijmegen

RATIONALE: Een groot deel van de mannen met prostaatkanker wordt gediagnosticeerd met een laag risico prostaatkanker. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat chirurgische of radiotherapeutische behandeling van laag risico prostaatkanker veel nadelen heeft. Actief monitoren en ingrijpen bij progressie is een kosteneffectief alternatief waarmee complicaties als incontinentie en erectiele dysfunctie vermeden kunnen worden. Leven met onbehandelde kanker veroorzaakt bij een deel van de zorgvragers psychosociale problemen. Verpleegkundigen en artsen bieden op dit moment onvoldoende psychosociale ondersteuning aan mannen met prostaatkanker tijdens een actief volgen beleid. DOEL: Het doel van dit onderzoek is om interventies te identificeren die angst, onzekerheid en stress bij mannen met prostaatkanker tijdens het actief afwachten kunnen verminderen. METHODE: Een uitgebreide scoping review in 6 wetenschappelijke databanken heeft geleid tot 2808 artikelen. Na het screenen van deze artikelen zijn de in- en exclusiecriteria op 417 artikelen toegepast. 12 Artikelen voldeden aan de gestelde criteria en zijn meegenomen in deze review. De kwaliteit van deze artikelen is bepaald met behulp van beoordelingsinstrumenten voor de methodologische kwaliteit. RESULTATEN: De zoekactie heeft geleid tot inclusie van 9 kwantitatieve en 1 kwalitatieve studie en 2 reviews. De studies hadden een matig tot goede kwaliteit. De interventies uit de literatuur zijn onderverdeeld in 3 categorieën: informatie en voorlichting, coping en psychosociale ondersteuning, leefstijl. Uit de resultaten van het onderzoek wordt duidelijk dat een eenmalige informatie en voorlichtingsbijeenkomst over prostaatkanker en -behandelingen, prognose, mortaliteit en morbititeit, dieet en leefstijl leidt tot minder stress en toegenomen compliantie. Het is daarbij wel belangrijk dat de informatie afgestemd wordt op het niveau van de zorgvrager, consistent en betrouwbaar is. Ten aanzien van coping en psychosociale ondersteuning komt duidelijk naar voren dat sociale ondersteuning door partners, lotgenoten, vrienden en familie de compliantie kan bevorderen. Een positieve attitude kan gevoelens van stress en onzekerheid verminderen. Cognitieve gedragstherapie, in het specifiek cognitieve reframing, kan hierbij behulpzaam zijn. De ‘ik doe iets extra’s’ copingstrategie lijkt bij te dragen aan effectieve coping en compliantie. Leefstijlaanpassingen zoals beweging, dieet en voedingssupplementen lijken de kwaliteit van leven direct positief te beinvloeden maar lijken mannen ook een belangrijke mogelijkheid tot zelfmanagement te bieden. CONCLUSIE: Specifieke informatie en voorlichting, een positieve attitude, sociale ondersteuning, cognitieve gedragstherapie en het bevorderen van leefstijlaanpassingen zoals beweging, dieet en ontspanningsoefeningen dragen bij aan een verminderde psychosociale last tijdens het actief volgen beleid bij prostaatkanker. AANBEVELING: De ontwikkeling van een ondersteuningsprogramma voor mannen tijdens actief volgen is van groot belang om ondersteuning te bieden in het omgaan met gevoelens van angst, onzekerheid en stress als gevolg van een actief volgen beleid en leven met onbehandelde kanker. LITERATUUR: Literatuurlijst wordt apart aangeleverd.

Parallel ronde 4

Van 13:30 uur tot 14:30 uur vindt parallel ronde 1 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

4.1 Begeleiding van naasten

13:30

4.1.1 ‘De helende werking van een familiegesprek’

Dr. Marie Louise Luttik, senior onderzoeker, Hanzehogeschool, Groningen

Als iemand ziek wordt, raakt dat niet alleen de zieke zelf; ook zijn familie (sociale omgeving) wordt erdoor beïnvloed. Mensen uit de sociale omgeving komen voor de vraag te staan of en wat ze willen en kunnen bijdragen aan de benodigde zorg. Zeker bij intensieve en langdurige zorgsituaties, zoals bij veel oncologische diagnosen, wordt zorg vaak gegeven door partners en/of kinderen. De kwaliteit van de onderlinge relaties tussen patiënt en zijn/haarfamilie is bepalend voor de kwaliteit van de zorg. Aandacht voor en ondersteuning van deze onderlinge relaties, in het licht van de zorgsituatie van de patiënt, is dan ook van cruciaal belang.

Familiezorg is een manier van denken en werken waarbij de zorgsituatie centraal wordt gesteld. In een zorgsituatie is er sprake van onderlinge relaties tussen een patiënt, zijn/haar familie (of sociale omgeving) en zorgprofessionals. Alle betrokkenen hebben ieder hun eigen verhaal, hun eigen geschiedenis en kijk op de wereld en de zorgsituatie, zij hebben allen een eigen context. Familiezorg is zorg met aandacht voor de context en relaties. Het heeft de intentie een bijdrage te leven aan mensen vanuit een systemisch perspectief.

14:00

4.1.2 Familie- en netwerkparticipatie

Yvonne de Jong, senior adviseur familie- en netwerkparticipatie, Vilans

4.2 Fast Track bij CRC

13:30

4.2.1 Transanale minimaal invasieve rectum chirurgie

Dr. Wytze Laméris, chirurg, Amsterdam UMC

14:00

4.2.2 Endoscopische diagnostiek en behandeling T1 CRC

Dr. Barbara Bastiaansen, MDL arts, Amsterdam UMC

4.3 In gesprek met V&VN Oncologie

13:30

In gesprek met V&VN Oncologie

Anne Boerboom, voorzitter V&VN Oncologie & Lisette Bruijnis - bestuurslid V&VN Oncologie

Het bestuur van V&VN Oncologie gaat graag met jou in gesprek over de ontwikkelingen binnen het oncologische zorglandschap. Hierbij kun jij aangeven wat voor jou belangrijk is, maar ook wat V&VN Oncologie voor jou kan doen. Daarnaast is het ook mogelijk om samen met het bestuur van V&VN Oncologie te kijken wat jij kan doen voor onze beroepsvereniging.

4.4 Late effecten na kanker

13:30

4.4.1 Beter Poli

Dr. Laurien Daniels , radiotherapeut en BETER-arts , Amsterdam UMC

14:00

4.4.2 LATER-poli

Herma Vermeulen verpleegkundig specialist, Prinses Maxima Medisch Centrum

4.5 Open abstracts

13:30

4.5.1 Oncologische nazorg in de huisartspraktijk: Een POH Oncologie

Mary Groeneveld, Verpleegkundig Specialist AGZ, Stichting OOK

Oncologische nazorg in de huisartspraktijk: Een POH Oncologie
Doordat de ziekte kanker in een steeds vroeger stadium ontdekt kan worden en er effectievere behandelingen zijn stijgen de overlevingskansen en wordt kanker tegelijkertijd steeds vaker een chronische aandoening. De primaire focus ligt in de fase van diagnose en behandeling, begrijpelijk, op het behandelen en genezen. Uit onderzoek van KWF (KWF, 2016) blijkt dat patiënten, veel effecten ervaren van de ziekte en behandeling op het dagelijks leven, tijdens maar ook na deze fasen.
Oncologische zorg wordt in de eerstelijn niet gestructureerd aangeboden. Wij werken als verpleegkundige, casemanager en verpleegkundig specialist in de huisartspraktijk en misten een protocol voor het werken met oncologie patiënten. Patiënten gaven aan de huisartspraktijk te missen tijdens hun behandeltraject. Wij misten het zicht op de patiënt tijdens het behandeltraject, vooral als zij daarna in de palliatieve fase weer in de huisartspraktijk terug kwamen. Om daar verandering in aan te brengen hebben wij de krachten gebundeld. Onder de naam “De Koplopers” zijn we een project gestart om ondersteuning bij kanker vanuit de huisartspraktijk vorm te geven.
Wij denken dat een rol binnen de huisartspraktijk moet worden gecreëerd om goede ondersteuning aan mensen met kanker te garanderen. Een praktijkondersteuner met als aandachtgebied oncologie, een POH Oncologie.
Een POH Oncologie ontlast niet alleen de huisarts maar verbetert tevens de kwaliteit van de eerstelijnszorg door meer tijd te besteden aan de patiënt. Het gaat om proactieve zorg, om de “Juiste Zorg op de Juiste Plek”, maar vooral ook op het juiste moment en met voldoende tijd.
Wat is kenmerkend voor een POH Oncologie?
• De POH-Oncologie werkt in de huisartsenpraktijk en heeft een verpleegkundige opleiding of een paramedische opleiding op HBO niveau, gespecialiseerd in oncologische zorg.
• Zij wordt aangestuurd door de huisarts en heeft toegang tot het patiëntdossier. Zij werkt zelfstandig binnen teamverband.
• Zij is geschoold in het effect van ziekte en behandeling op het dagelijks leven van patiënten en naasten en het bespreken hiervan.
• Zij benadert de patiënt proactief vanaf het moment van de diagnose en bespreekt op het juiste moment met de patiënt hoe deze te begeleiden en te vervolgen (time-out gesprek). Dit is bij uitstek maatwerk.
• Zij is binnen de praktijk hét aanspreekpunt voor de patiënt met kanker en coördineert de eerstelijns zorg om de patiënt.
• Zij legt waar nodig de verbinding met de 2e lijn, maar ook met de 0e lijn.
• Zij draagt bij aan de Advanced Care Planning. En zij begeleidt mede de patiënt ook in de stervensfase.
In onze eigen werkomgeving proberen wij vorm te geven aan deze rol en zijn pilots gestart.
Wij hebben voor anderen, die net als wij ondersteuning aan mensen met kanker binnen de huisartspraktijk vorm willen geven, een TOOLBOX ontwikkeld. De TOOLBOX biedt een leidraad om de rol van POH Oncologie op gestructureerde wijze te implementeren in de eigen praktijk. Dankzij een bijdrage vanuit KWF Samenloop voor Hoop is deze toolbox voor geïnteresseerden vrij verkrijgbaar via www.stichting-ook.nl.

13:45

4.5.2 Thuisconsulten Specialistische Palliatieve Zorg door consulenten van het intramurale palliatieve team: een beschrijvende studie naar de ervaringen van patiënt, naasten en de huisarts

Ellen de Nijs, verpleegkundig Specialist/onderzoeker, LUMC

Achtergrond
Patiënten met een gevorderde ziekte komen aan het eind van hun leven nog regelmatig op de spoedeisende hulp (SEH), wat vaak leidt tot een overlijden in het ziekenhuis (1). Om deze SEH bezoeken te voorkomen en ervoor te zorgen dat ‘patiënten de juiste zorg op de juiste plek krijgen’, zijn onze ziekenhuis Consultteams Palliatieve Zorg (CPZ) begonnen met consultatie bij patiënten thuis. Doel van deze thuisconsulten is om huisartsen en wijkverpleegkundigen te steunen bij proactieve multidimensionele symptoommanagement en bij het ondersteunen van patiënt en naasten.

Doel
Het evalueren van de thuisconsulten specialistische palliatieve zorg.

Methode
Het is een prospectieve beschrijvende studie waarbij alle patiënten, waarvoor de huisarts een thuisconsult heeft aangevraagd, geïncludeerd zijn. Hierbij zijn gegevens over de patiënt- en ziektekenmerken, de kenmerken van het thuisconsult en de ervaringen met het thuisconsult van de patiënt, naasten, huisarts en consulenten verzameld en geanalyseerd.

Resultaten
Van september 2018 tot en met december 2020 zijn er 45 patiënten door huisartsen verwezen voor een thuisconsult, 27 vrouwen (60%), gemiddelde leeftijd was 69 jaar (range 34-95 jaar), 36 patiënten (80%) hadden gevorderde kanker. Onderwerpen die tijdens het consult het meest aanbod kwamen waren coping van de patiënt (51%), pijn (51%), organisatie van zorg (40%) en obstipatie (36%). Voor alle patiënten is er een proactief zorgplan gemaakt. Patiënten gaven het thuisconsult gemiddeld een 9.0 (schaal van 0-10). Ze waardeerden met name de rustige benadering van de consulent, de ruimte om aspecten rondom het levenseinde te bespreken, de voorlichting die werd gegeven over het ziektetraject en de symptomen en de verbeterde relatie van de patiënt met de huisarts. Van de huisartsen gaf 93% aan zich ondersteund te voelen door het thuisconsult, 87% zou in een gelijkwaardige situatie opnieuw een thuisconsult aanvragen, 71% benoemt nieuwe kennis opgedaan te hebben. Consulenten (95%) benoemden dat de thuisconsulten de samenwerking tussen de 1e en 2e lijn heeft verbeterd en toenemend proactief aanvragen van een consult door huisartsen om crisissituaties thuis te voorkomen. Hierdoor is in maar 46% van de consulten een ziekenhuisopname voorkomen. Tijdens de studieperiode zijn 40 patiënten (90%) overleden, waarvan één in het ziekenhuis. Mediaan van de tijd van thuisconsult tot overlijden was 20 dagen.

Conclusie
Het thuisconsult specialistische palliatieve zorg is succesvol in het voorkomen van niet wenselijke ziekenhuisopnames bij een crisissituatie thuis. Het is tevens waardevol bij het voorkomen van een crisissituatie. Het draagt bij aan sterven op de plek van voorkeur met kwalitatief goede palliatieve zorg.

Literatuur
1. Mary-Joanne Verhoef, et al (2019) Palliative care needs of advanced cancer patients in the emergency department at the end of life: an observational cohort study. Supportive Care in Cancer 2020 Mar;28(3):1097-1107.
Aanbevelingen/klinische relevantie
Het Thuisconsult Specialistische Palliatieve Zorg was 1 van de ‘leertuinen’ binnen het landelijke project TrAnsmurale PAlliatieve zorg met passende beko$tiging (TAPAS). Inmiddels is bekostiging van een thuisconsult door een specialist in de palliatieve zorg onder specifieke voorwaarden mogelijk.

14:00

4.5.3 Het individuele nazorgplan voor de oncologiepatiënt in de praktijk

Gabriëlla de Boer-Betten, verpleegkundig specialist, Haaglanden Medisch Centrum

Onderwerp
Het individuele nazorgplan voor de oncologiepatiënt in de praktijk.

Relatie met CanMEDS competenties
Organisatie / gezondheidsbevordering
Uit het promotieonderzoek van Jolanda Friesen blijkt dat de gevolgen die mensen ervaren na de behandeling van kanker niet altijd goed in kaart worden gebracht en dat patiënten niet altijd goed geïnformeerd zijn over nazorgmogelijkheden. Verder gaven zowel patiënten als zorgverleners aan dat het belangrijk is dat patiënten een nazorgadvies op maat krijgen.
Er is meer ruimte nodig om aan de patiënt en naaste(n) te vragen aan welke informatie zij behoefte hebben en informatievoorziening daar op af te stemmen.
Ook patiëntenvereniging Olijf stelt dat goede begeleiding en informatie op maat gedurende het hele zorgtraject – ook na de behandeling – van belang is.
Hoe vanzelfsprekend is het als zorgverlener om te vragen aan de patiënt naar de informatiebehoefte?
Van de patiënten met gynaecologische tumoren geeft ongeveer de helft aan dat korte- en langetermijngevolgen van de behandelopties niet zijn besproken. Terwijl juist met deze informatie de patiënte een bewustere keuze kan maken over de betekenis en gevolgen van de behandeling voor haar leven.
De TWG gynaecologische oncologie heeft in samenwerking met Stichting Olijf nazorgplannen op maat per tumorsoort ontwikkeld. Doel is dat deze een structureel onderdeel gaan vormen van de landelijke richtlijnen. Hiermee willen we inspelen op de individuele behoeftes van de patiënt in de verdere begeleiding en voorlichting.
De presentatie zal vooral gaan over het gebruik en de ervaringen van het individuele nazorgplan voor de oncologische gynaecologiepatiënt in de praktijk. In het Radboudumc wordt er al langere tijd gebruik gemaakt van een digitale versie van het nazorgplan in Epic. In het Haaglanden Medisch Centrum loopt een pilot met een digitale versie in HIX van het nazorgplan. Onze ervaringen hiermee willen we delen met collega’s van andere tumorwerkgroepen, om hen te inspireren ook een start te maken met het individueel nazorgplan.

Literatuur
Proefschrift Jolanda Friesen (2019): ‘How to move forward with evidence-based practice in nursing: towards a personalised approach in cancer aftercare’
https://www.gildeprint.nl/flippingbook/How%20to%20move%20forward%20with%20evidence‐based%20practice%20in%20nursing/index.html
https://medischeoncologie.nl/jaargangen/2019/3-mei/zorgplan-afstemmen-op-de-behoefte-van-de-individuele-patient.html
https://olijf.nl/nieuws/traject-nazorgplannen-bij-de-oncologiedagen
https://iknl.nl/nieuws/2018/belle-de-rooij-zorgplan-afstemmen-op-individuele-b
Journal of Cancer Survivorship
https://doi.org/10.1007/s11764-018-0713-9
https://www.oncoline.nl/herstel-na-kanker
https://shop.iknl.nl/shop/samenvattingskaart-richtlijn-herstel-na-kanker/54922

Home

14:15

4.5.4 Een leidraad voor het toedienen en bekostigen van oncolytica thuis

Conny Molenkamp, verpleegkundig specialist, palliatieve zorg/oncologie 1e lijn, Evean

Aanleiding
Verspreid over het land ontstaan er steeds meer initiatieven om oncolytica thuis te geven. Verpleegkundigen van gespecialiseerde teams van de thuiszorg, vanuit het ziekenhuis met de auto of de bakfiets en van gespecialiseerde bedrijven gaan naar de patient thuis om oncolytica af te koppelen of toe te dienen.
Met de toediening van oncolytica thuis kan een grote bijdrage geleverd worden aan de kwaliteit van leven van de patiënt en diens naasten. Deze nieuwe ontwikkelingen roepen echter ook vragen op bij de achterban van de V&VN Oncologie en de V&VN Technische Thuiszorg. Samengevat is de centrale vraag “hoe kunnen we de toediening van oncolytica thuis goed organiseren en de kwaliteit waarborgen?”.

Doel
De afdeling V&VN Oncologie en de vakgroep V&VN Technische Thuiszorg hebben de signalen en vragen opgepakt en werken aan een leidraad om de toediening van oncologische medicatie thuis én de bekostiging beter te regelen.

Methode
Vanuit de V&VN Oncologie is het initiatief genomen om betrokken verpleegkundigen vanuit V&VN Oncologie en V&VN Technische Thuiszorg Verpleegkundigen bij elkaar te brengen om samen te brainstormen.
Na deze bijeenkomst is vervolgens in een kleinere groep vanuit beide V&VN-afdelingen samen met twee bestuursleden gestart om bovenstaande situatie in kaart te brengen.
Door de samenwerking tussen V&VN Oncologie en V&VN Technische Thuiszorg Verpleegkundigen wordt de verplaatsing van oncologische zorg vanuit meerdere hoeken en expertisegebieden georganiseerd. Hierbij zullen beide afdelingen elkaar versterken. Tevens kan er rekening gehouden worden met de onderwerpen, die gevoelig liggen voor de verschillende afdelingen.
Tevens wordt de samenwerking met SONCOS, zorgverzekeraars en het ministerie van VWS gezocht. Van daaruit kunnen vervolgens richtlijnen en normeringen worden vastgesteld.

Resultaat
Op dit moment zijn de werkprocessen vanuit de twee afdelingen van de V&VN beschreven en samengevoegd. Er is contact gezocht met SONCOS om te komen tot een bijpassende normering. Tevens is aan het strategieteam van V&VN gevraagd de vraag voor een passende financiering te agenderen.
Om van werkproces te komen naar richtlijn wordt samenwerking gezocht met de afdeling Richtlijnen van de V&VN.
Door samenwerking binnen en buiten de V&VN met verschillende betrokken partijen (V&VN Oncologie en V&VN Technische Thuiszorg Verpleegkundigen, SONCOS, zorgverzekeraars en ministerie van VWS) wordt er gewerkt aan landelijk gedragen beleid voor het verplaatsen van de oncologische zorg.
De werkgroep zal een uniforme richtlijn formuleren over de verplaatsing van de oncologische zorg naar de extramurale setting, waarin staat beschreven om welke zorg dit gaat, welke zorgverleners zijn betrokken en welke scholing zij moeten volgen en hoe de financiering van de zorg wordt gedaan. Een richtlijn, die voor de
oncologische patiënt bijdraagt aan verhoging van de veiligheid en kwaliteit van zorg, transparante en persoonsgerichte zorg.

Conclusie
Graag nemen we jullie op de Oncologiedagen mee in het proces en informeren we jullie over de laatste stand van zaken.

14:30

Pauze

Parallel ronde 5

Van 15:00 uur tot 16:00 uur vindt parallel ronde 5 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

5.1 Hoe evidenced- based is Follow-up / grenzen aan de nazorg

15:00

5.1.1 Follow-up langdurige overleving zaadbalkanker

Sandrien Weda, docent verpleegkunde, Hogeschool Utrecht

15:30

5.1.2 Nazorg bij borstkanker

Sabine Siesling, senior onderzoeker, IKNL

5.2 Neuro-oncologische sessie

15:00

5.2.1 Advanced care planning in de neuro-oncologie

Anne Luteijn, verpleegkundig specialist, UMC Utrecht

15:30

5.2.2 N.T.B.

Wordt nog vormgegeven

5.3 Longcarcinoom

15:00

5.3.1 Hot Topics in longkankerland

Willemijn Theelen, longarts, Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis

5.4 Complementaire zorg

15:00

5.4.1 'Complementaire zorg in de oncologie: wat moet je ermee?’

Martine Busch, directeur, Van Praag Instituut en Anneke Schielein, bestuurslid van de afdeling complementaire zorg V&VN en verpleegkundige, Rijnstate ziekenhuis

Veel oncologiepatiënten maken gebruik van complementaire zorg, maar lang niet altijd bespreken ze dit met hun behandelteam. Hoe komt dat? Wat is er voor nodig om dit wel te bespreken? In deze sessie worden actuele ontwikkelingen genoemd – zoals een spreekuur integrative medicine in Rijnstate speciaal voor oncologiepatiënten – en wordt ingegaan op twee lopende (onderzoeks-)projecten. In de COMMON studie wordt samen met patiënten in 3 ziekenhuizen onderzocht welke behoeften er zijn rond complementaire zorg en wordt een toolkit ontwikkeld voor zowel zorgprofessionals als patiënten om op een veilige en effectieve manier complementaire zorg te bespreken en in te zetten. In het IMKA project werkt het Consortium Integrale Zorg en Gezondheid (bestaande uit 6 zorginstellingen) samen met het informatieplatform Kanker.nl om betrouwbare informatie over complementaire zorg toegankelijk te maken.

5.5 Open abstracts

15:00

5.5.1 Patiënt-gerapporteerde symptoom monitoring bij patiënten met longkanker

Corina van den Hurk, onderzoeker post-doc, IKNL

Achtergrond. Patiënt-gerapporteerde uitkomstmaten (PROMs) worden steeds vaker gebruikt in onderzoek en in de dagelijkse oncologische praktijk, aangezien ze een aanvulling zijn op de (klinische) uitkomstmaten die door verpleegkundigen en artsen worden vastgelegd (Atinson, SuppCareCanc 2016). Een specifieke PROM zijn symptomen die tijdens de behandeling en in follow-up kunnen worden gerapporteerd met behulp van een app (Basch, JAMA 2017) In Nederland is eerst een pilotstudie naar symptoom monitoring uitgevoerd (van Eenbergen, SuppCareCanc 2019). Momenteel wordt het effect van symptoom monitoring op kwaliteit van leven van patiënten met longkanker onderzocht in de SYMptom monitoring with Patient-Reported Outcomes (SYMPRO) trial (Billingy, AnnOncol 2020) Daarnaast wordt het PRO-Lung project gestart waarin methoden en implementatie van symptoom monitoring in de dagelijkse oncologische praktijk worden doorontwikkeld (www.prolung.nl).
Doel. Gebruik van patiënt-gerapporteerde symptoom monitoring in de dagelijkse oncologische praktijk voor het verbeteren van de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van leven van patiënten met (long) kanker.
Methode. Patiënten krijgen een account voor de mobiele website (‘app’), waarop zij de PROMs m.b.t. symptomen en kwaliteit van leven vanuit huis kunnen invullen. De symptomen worden uitgevraagd middels een standaard subset van vragen specifiek voor patiënten met longkanker. In de nieuwe versie van de app wordt tijdens systemische therapie de uitvraag gepersonaliseerd naar het specifieke middel door koppeling met bijwerkingenbijkanker.nl. De patiënten ontvangen direct na invullen een terugkoppeling van de resultaten. Ook de zorgverleners kunnen de resultaten inzien. Bij aanwezigheid van symptomen met een hoge ernst, frequentie en/of belemmering krijgen patiënten een alert-bericht waarin ze geadviseerd worden om contact op te nemen met de zorgverlener. De vragenlijsten zijn opgesteld met hulp van verpleegkundig specialisten en is aandacht geweest voor het beperken van de extra werkdruk voor zorgverleners.
Resultaten. De pilot studie in 7 ziekenhuizen liet zien dat symptoom monitoring toepasbaar is voor de Nederlandse oncologische praktijk. In de SYMPRO trial is de app geïmplementeerd in 13 ziekenhuizen. Er zijn momenteel 512 patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd is 65 jaar en het merendeel is gemiddeld (63%) of hoog opgeleid (24%). Stadium verdeling van 1 tot 4 is 13%, 7%, 30% en 50% en 70% van de patiënten had systemische therapie of chemoradiatie op het moment van deelname.
Conclusie. Symptoom monitoring kan breed ingevoerd worden voor alle patiënten met longkanker en doorontwikkelingen dienen te richten op deelname van lager opgeleide patiënten.
Klinische relevantie. Doordat zorgverleners zicht hebben op het verloop van symptomen in de thuissituatie kan vroegtijdiger ingegrepen worden. Hierdoor hebben patiënten minder lang last van ernstige klachten en wat naar verwachting bijdraagt aan de kwaliteit van leven. De resultaten kunnen tijdens consulten gebruikt worden, waardoor symptomen die aandacht behoeven direct zichtbaar zijn. Om het gebruik te optimaliseren dient de werkwijze van de oncologische afdelingen aangepast te worden. Daarnaast is koppeling met het elektronisch patiëntendossier van groot belang voor het gebruik. Door in Nederland methoden voor symptoom monitoring af te stemmen en data te delen, kan symptoom management verder
verbeterd worden. De ontwikkelingen voor longkanker kunnen ook gebruikt worden voor andere vormen van kanker.

15:15

5.5.2 Neuropathie, informeren, herkennen en erkennen

Ella Visserman, belangenbehartiger, NFK

1. Introductie/achtergrond. Mensen die kanker hebben of behandeld worden met chemotherapie of doelgerichte therapie, kunnen last krijgen van neuropathie. Maar hoe ervaren (ex)kankerpatienten dit? Zijn ze geïnformeerd over neuropathie en hoe gaan ze om met (kans op) neuropathie?

2. Onderzoekdoel – NFK heeft in het voorjaar van 2021 een Doneer Je Ervaring uitvraag gedaan. Ruim 3700 (ex)kankerpatienten hebben hun ervaring met neuropathie gedeeld. Van hen ervaart twee derde nog pijn aan handen als voeten en dit heeft ook invloed op hun dagelijks leven
3. Methode – Uitvraag onder (ex) kankerpatienten naar hun ervaringen. De vragenlijsten zijn uitgezet via kankerpatientenorganisaties, social media.

4. Resultaten – factsheet en rapportage Pijn, doof gevoel of tintelingen in handen of voeten bij kanker, wat is jouw ervaring? | NFK

5. Conclusies – (ex) Kankerpatiënten hebben soms nog jaren na hun behandeling last van neuropathie. Door de neuropathie ervaren zij beperkingen in hun dagelijkse activiteiten. De meesten hebben iets gedaan of geprobeerd om neuropathie te verminderen. Echter een behandeling voor neuropathie is er (nog) niet. Van belang is dat mensen voor de behandeling worden geïnformeerd over de kans op neuropathie door hun zorgverleners. Zodat zij gedurende de behandeling, maar ook daarna de klachten herkennen en erkennen.

6. Literatuur

7. Aanbevelingen/klinische relevantie
• Van belang is dat mensen voor de behandeling worden geïnformeerd over de kans op neuropathie. Zodat zij gedurende de behandeling, maar ook daarna de klachten herkennen en erkennen.
• Meer bekendheid over neuropathie. NFK heeft in april een persbericht gedeeld in de media, maar zal ook via social media, tijdschrifte, symposia ed meer aandacht vragen voor neuropathie.
• Meer onderzoek naar neuropathie. NFK gaat samen met onderzoeker van de PROFIELstudie kijken of er aanknopingspunten zijn voor vervolgonderzoek.

15:30

5.5.3 Een 6-staps benadering van bijwerkingen

Christine Boers-Doets, bijwerkingen specialist, CancerMed Bijwerkingen Instituut

Introductie
Een aanzienlijk aantal patiënten op targeted antikanker therapie (TT) kan hun behandeling niet voltooien zoals gepland, vanwege ernstige of aanhoudende bijwerkingen die verband houden met deze middelen en die de klinische uitkomst kunnen beïnvloeden. Een effectieve aanpak van bijwerkingen is nodig om patiënten te helpen de behandeling te voltooien zoals gepland.

Doelstelling
Het doel van dit onderzoek was om een meer gedetailleerde beschrijving van de bijwerkingen te identificeren, zodat beschikbare behandelingsopties gerichter kunnen worden ingezet, met als gevolg een vermindering van dosisaanpassingen en continuering van de antikanker behandeling.

Methode
In deel I werden de medische dossiers en klinische onderzoeksprotocollen van oncologiepatiënten op TT doorzocht. Wij hebben geëxploreerd welke termen worden gebruikt om bijwerkingen te beschrijven en hebben de ontbrekende informatie voor een gedetailleerde bijwerkingen-diagnose gedocumenteerd.
In deel II werden de in deel I geïdentificeerde kernitems toegepast op patiënten met bijwerkingen van TT en werd geregistreerd of patiënten hun behandeling konden voltooien zoals gepland.

Resultaten
In deel I identificeerden wij zes kernitems van bijwerkingen, die werden georganiseerd in zes TARGET-stappen: terminologie, assessment, rapportage, gradering, educatie en therapie. In deel II werden de bijwerkingen van 262 patiënten benaderd volgens de geïdentificeerde zes TARGET-stappen. Bij aanvang werden in totaal 1.516 bijwerkingen gemeld. De meest voorkomende bijwerkingen van patiënten en vragenstellers waarvoor in het onderzoek om advies werd gevraagd, waren droge huid, branderig gevoel, pruritus en droge mondholte; 244 (16,1%), 201 (13,3%), 193 (12,7%) en 102 (6,7%) respectievelijk. 98% van de bijwerkingen waren binnen 48 uur na de behandeling van bijwerkingen afgenomen van matig of ernstig tot geen of licht. Er werden geen dosisaanpassingen van de kankerbehandeling uitgevoerd.

Conclusies
Initiatie van de meest adequate bijwerkingen behandeling is waarschijnlijker als de 6 stappen van de TARGET-strategie worden doorlopen.

Literatuur
1. Boers-Doets CB (2014) The Target System – Approach to assessment, grading, and management of dermatological & mucosal side effects of targeted anticancer therapies. Impaqtt, Wormer
2. Boers-Doets CB and Epstein JB. “Initiation of the Most Appropriate Adverse Event Treatment is More Likely to Occur if the 6 Steps of the TARGET Strategy are Taken”. Acta Scientific Cancer Biology 5.1 (2021): 18-27.
Aanbevelingen
Als je de kans van slagen om bijwerkingen van TT onder controle te krijgen wilt vergroten, kan de 6-staps TARGET benadering hiervoor ingezet worden.

15:45

5.5.4 De impact van vaatirritatie door anthracycline bevattende chemotherapie Een kwalitatief onderzoek naar ervaringen van patiënten met borstkanker

Adriana Wilhelmina de Mooij, verpleegkundig specialist, Haaglanden Medisch Centrum

INTRODUCTIE
Anthracycline bevattende chemotherapie kan vaatirritatie veroorzaken. Vaatirritatie kan leiden tot flebitis. Flebitis is een ontstekingsreactie van de ader op de infusieplaats. Deze ontstekingsreactie kan lichamelijke en psychosociale klachten geven. Onduidelijk is hoe borstkanker patiënten deze klachten ervaren.
DOEL
Inzicht krijgen in de ervaringen van borstkankerpatiënten en de effectiviteit van interventies met betrekking tot chemotherapie gerelateerde flebitis door perifere infusie, teneinde de zorg voor deze patiënten te verbeteren.
METHODE
Kwalitatief onderzoek door middel van semigestructureerde interviews onder zestien vrouwen met primaire borstkanker behandeld met combinatie chemotherapie in de vorm van doxorubicine en cyclofosfamide (AC) en een vrouw met gemetastaseerde borstkanker behandeld met wekelijks lage dosis doxorubicine.
RESULTATEN
Alle respondenten geven aan pijn te ervaren aan het bloedvat tijdens of na het prikken van het perifere infuus. Naast pijn noemen respondenten ook andere klachten zoals blauwe plekken, harde aders, verkleuring van de huid, zwelling en rode plekken. Respondenten geven aan angst te ervaren voor 1. het prikken van het infuus, 2. de onwetendheid van de klachten en 3. de eventuele blijvende schade. Mogelijke effectieve interventies ter reductie of preventie van klachten zijn volgens de respondenten voorlichting, het afwisselen van de infuusarm en het bespreken van een Peripherally Inserted Central Catheter (PICC).
CONCLUSIE
Borstkankerpatiënten ervaren chemotherapie gerelateerde flebitis ontstaan door perifere infusie van anthracycline bevattende chemotherapie als onaangenaam. Vooral pijn en de aanwezigheid van deze pijn in de dagelijkse bezigheden vinden de respondenten naar. Op psychosociaal vlak spelen angst en onzekerheid op lange en korte termijn een rol.
LITERATUUR
In slechts 3 van de 17 geselecteerde artikelen over klachten van flebitis wordt gesproken over de psychosociale impact van flebitis. Vanwege het kwantitatieve karakter van deze studies is het onduidelijk wat de hevigheid en ervaring van deze ontstane flebitis is. Eveneens blijkt dat voor chemotherapie gerelateerde flebitis nog weinig oplossingen effectief zijn.
AANBEVELINGEN
De informatie over mogelijke klachten van vaatirritatie en het afwisselen van de infuusarm toevoegen aan de informatievoorziening voorafgaand aan anthracycline bevattende chemotherapie.
Overweeg samen met de patiënt om een PICC-lijn te plaatsen voor start chemotherapie afgestemd op de wensen en behoefte van de individuele patiënt.

16:00

Pauze

Parallel ronde 6

Van 16:30 uur tot 17:30 uur vindt parallel ronde 6 plaats. U kunt tijdens deze ronde uit de onderstaande sessies kiezen

6.1 Samen Beslissen ook bij Beperkte Gezondheidsvaardigheden?

16:30

Samen Beslissen ook bij Beperkte Gezondheidsvaardigheden?

Ella visserman, belangenbehartiger samen beslissen/kwaliteit van leven NFK & Geesje Tomassen, trainer I projectleider I adviseur laaggeletterdheid I gezondheidsvaardigheden , Pharos

Samen beslissen gebeurt al, maar kan nog veel meer. Willen alle patiënten samen beslissen? Welke rol kan de verpleegkundige innemen in dat samen-beslissen-proces? En kunnen alle patiënten samen beslissen? Twijfel je wel eens of een patiënt wel mee kan doen in dat samen beslissen proces? Allemaal vragen die in deze workshop beantwoord worden. We vertellen kort de theorie van samen beslissen, de rol van de verpleegkundige en wat beperkte gezondheidsvaardigheden zijn. Vervolgens ervaar je hoe je mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden kan ondersteunen in hun samen-beslissen-proces. En als je je realiseert dat ongeveer één op de drie Nederlanders beperkt gezondheidsvaardig is, dan komen zij ook regelmatig in jou spreekkamer. Herken jij ze? Van harte uitgenodigd!

6.2 Prostaat carcinoom

16:30

6.2.1 Kwaliteit van leven na prostaatkankerbehandeling met curatieve opzet: bevindingen van het Utrecht Prostaat Cohort

Freek Teunissen, promovendus UMC Utrecht

16:30

6.2.2 Gebruik botversterkers bij protaatkanker met hormonale behandeling

Daniëlle Bout, V(io)S osteoperose polikliniek, Isala Zwolle

Onze botten worden in de loop van het leven brozer. Na het 45e levensjaar is de botafbraak groter dan de botaanmaak, dit kan ertoe leiden dat er osteoporose ontstaat. Onder invloed van te weinig belastende beweging, te weinig vitamine D en calcium en een veranderende hormoonhuishouding kan dit proces sneller gaan. Bij de behandeling van prostaatkanker wordt vaak gebruik gemaakt van anti-hormoon therapie, waardoor bij mannen de testosteron onderdrukt wordt. Dit heeft invloed op de botkwaliteit. In de presentatie zal hierover meer uitleg worden gegeven.

6.3 Seksualiteit en intimiteit

16:30

6.3 Seksualiteit en intimiteit

Petri Oost, oncologie verpleegkundige urologie, specialistisch verpleegkundige seksuologie, Tergooi ziekenhuis

6.4 Mammacarcinoom

Deze sessie wordt momenteel nog vorm gegeven.

17:30

Afsluitende borrel